
Door Rik Vuurmans
De titel van het boek wekt de indruk dat het onderwerp de militaire inbreng in de Spaanse Burgeroorlog is, maar de ondertitel ‘België en de Spaanse Burgeroorlog’ neemt die indruk weg, evenals de inhoudsopgave. In ieder van de acht hoofdstukken werken Vincent Scheltiens en Sven Tuytens een specifiek aspect van de Belgische inbreng in de burgeroorlog uit. Daarbij komt een breed spectrum aan bod: van de vrijwilligers in de Internationale Brigades via de opvang van Baskische kinderen naar de Belgische economische belangen in Spanje.
Er zouden zo’n 2400 vrijwilligers vanuit België naar Spanje zijn vertrokken om zich aan te sluiten bij de Internationale Brigades. Dat aantal omvat ook alle vluchtelingen uit andere landen die in België onderdak hadden gevonden en vandaaruit naar Spanje gingen, ongeveer 800 in totaal. Er blijven dan zowat 1600 Belgen over. Dat komt min of meer overeen met het aantal dat Giles Tremlett in zijn omvangrijke monografie The International Brigades noemt, namelijk 1722. Overigens is dat een indrukwekkend aantal voor een klein land, dat in die tijd zo’n 8 miljoen inwoners telde. Vanuit Nederland, qua inwoneraantal toen vergelijkbaar met België, vertrokken er 623. Daarbij was ook in België het werven van vrijwilligers en het aansluiten bij de Internationale Brigades verboden en werd dat goed in de gaten gehouden.
De auteurs besteden ook aandacht aan de opvang van kinderen die Spanje waren ontvlucht vanwege de burgeroorlog. Ook daarin had België een relatief groot aandeel. 5130 zogenaamde niños de la guerra, voornamelijk uit Baskenland, kwamen uit vrees voor represailles naar België. Zij belandden in vakantiehuizen en vooral in gezinnen. Organisaties van verschillende signatuur spanden zich in bij die opvang, waaronder ook de katholieken. Voor hen was het vooral belangrijk dat de kinderen uit het katholieke Baskenland de juiste godsdienstige waarden zouden meekrijgen. Daarom brachten zij de kinderen onder in katholieke gezinnen of parochiehuizen. Bij de meegereisde priesters waren er die het Baskische nationalisme aanhingen. Zij leerden de kinderen de Baskische taal en cultuur.

Van deze Niños de la guerra keerden er uiteindelijk 3798 terug na afloop van de burgeroorlog. Dat verliep niet zonder problemen. In eerste instantie was het niet duidelijk of het voor alle kinderen veilig was om terug te keren. Dat hing sterk af van de politieke gezindheid van de ouders. En in een aantal gevallen was één of beide ouders overleden. Een aantal kinderen bleef in België. Soms waren de ouders, gevlucht voor het Francobewind, ondertussen ook in België gearriveerd. Uiteindelijk vestigden zij zich permanent en vormden zij vriendenkringen van Niños de la guerra, die gezamenlijke herdenkingen en ontmoetingen organiseerden.
Ook aan de reacties in de pers is een hoofdstuk gewijd. Veel aandacht krijgt de Belgische razende reporter Mathieu Corman. Al in 1934 trok hij op zijn motorfiets naar Spanje om daar de mijnwerkersopstand te verslaan. Over de burgeroorlog rapporteerde hij in Ce Soir, het Franse communistische tijdschrift van de dichter Louis Aragon. Corman verbleef ruim vijf maanden in Spanje, eerst als soldaat en daarna als oorlogscorrespondent. Hij was ook een van de eersten die rapporteerde over het bombardement op Guernica. Na afloop van de burgeroorlog vatte hij zijn avonturen samen in zijn boek Salud Camarada. Naast journalist was hij ook uitgever en boekhandelaar – de ruim gesorteerde boekhandel met zijn naam is nog steeds te vinden aan het Leopold I-plein in Oostende.
Er hebben ook Belgische vrijwilligers aan de kant van Franco gevochten. Maar volgens de auteurs is hun aantal verwaarloosbaar in vergelijking met dat van de vrijwilligers aan republikeinse kant. Toch hebben ze een apart hoofdstuk gewijd aan de zowat veertig voornamelijk uit katholieke hoek afkomstige vrijwilligers. Dat aantal is toch opmerkelijk, aangezien er geen systematische werving was. De auteurs zoeken de verklaring in de katholieke oriëntatie van België, die in die tijd nog sterk aanwezig was.
Daarnaast kwam er uit ultrarechtse hoek steun voor Franco van het Nationaal Legioen, de fascistisch geïnspireerde nationalistische militie die banden had met de Spaanse Falange. Het aantal vrijwilligers uit die gelederen die naar Spanje trok om daar mee te vechten met de Francotroepen was niet groot. Veel belangrijker was de propaganda die ze maakten voor de Francokant. Zo kwam er in Brussel een bureau voor ‘Spaanse informatie’ dat uitleg gaf over de situatie en de opstand tegen de republiek rechtvaardigde.
Een apart hoofdstuk is gewijd aan de economische belangen van België in de Spaanse Burgeroorlog. De wapenhandel nam daarbij een belangrijke plaats in. Het Belgische staatsbedrijf Fabrique Nationale d’Armes de Guerre, beter bekend als FN, stelde zich neutraal op en leverde alleen aan de Spaanse Republiek[IW1] . Toch belandden de FN-wapens uiteindelijk ook bij de Francotroepen.

De FN had geen wapens van eigen ontwerp maar produceerde buitenlandse wapens onder licentie, niet alleen voor België maar ook voor de export. Zo kwamen die wapens in beide kampen van de burgeroorlog terecht. Daarnaast waren er wapenhandelaren met een eigen werkplaats die verouderde wapens ‘moderniseerden’. Ook die vonden gretig aftrek, ook in Spanje. Leuk is dat de auteurs in dat hoofdstuk verwijzen naar het Kuifje-album Het Gebroken Oor van Hergé, waarin ook een wapenhandelaar aan beide oorlogvoerende partijen levert.
Voor de Belgische investeringen in Spanje was de burgeroorlog rampzalig. Zo was er veel geïnvesteerd in het tramnetwerk en de spoorwegen in Spanje. Die waren grotendeels in Belgische handen, maar dat veranderde tijdens en na de oorlog.
Het onderwerp wordt in de verschillende hoofdstukken eerder compact behandeld. Het boek is duidelijk bedoeld als introductie en als opzet voor verdere studie. Het op één na laatste hoofdstuk, hoofdstuk 7, is wat dat betreft een uitstekende hulp. Het biedt een uitgebreid, hoewel naar eigen zeggen niet uitputtend overzicht van wat er op het gebied van de betrokkenheid van België bij de Spaanse Burgeroorlog is geschreven. En dat is heel wat. Hoewel een overzicht van de geraadpleegde literatuur ontbreekt, zijn in het notenapparaat en in hoofdstuk 7 voldoende titels te vinden voor diepgravender onderzoek. Jammer is dat in sommige gevallen de Spaanse titel van een boek of studie wordt vermeld, terwijl er ook een Nederlandse vertaling bestaat.
Deze samenwerking tussen een journalist met een grote historische interesse en een professionele historicus heeft een prettig lezend en informatief boek met sappige details opgeleverd, dat een groot publiek kan boeien.
Deze recensie wordt ook gepubliceerd in Brood & Rozen, historisch-wetenschappelijk tijdschrift, uitgave van het Amsab-isg Instituut voor sociale geschiedenis in Gent.




