
Door Margreet Schrevel
De Spaanse Burgeroorlog lééft in Amsterdam, vooral in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis aan de Cruquiusweg. Het IISG werd in 1935 opgericht om een veilige haven te bieden aan onder dictatuur bedreigde archieven en collecties. Men dacht daarbij in eerste instantie aan Hitler, Stalin en Mussolini. Maar nog geen jaar na de oprichting bleek Spanje de eerste proeftuin te zijn. In oktober 1936 al reisde IISG-medewerker Arthur Lehning af naar Barcelona om contacten te leggen en voorbereidingen te treffen voor het overbrengen van collecties. Moeilijk was dat niet voor hem, want hij was al een grootheid in de internationale anarchistische beweging en had kort daarvoor in Madrid gewoond om daar leiding aan te geven. En ook dat was weer niet toevallig, want juist in Spanje (en Argentinië) was de anarchistische stroming in de arbeidersbeweging een factor van betekenis. De anarcho-syndicalistische vakbondsfederatie Confederación Nacional del Trabajo (CNT) en zijn politieke arm Federación Anarquista Ibérica (FAI) had zo’n anderhalf miljoen leden.
Lang verhaal kort: begin 1939, toen duidelijk was dat de oorlog door links verloren ging worden, verpakte een medewerker van de CNT/FAI het complete archief in een vijftigtal kisten. Verstopt in een vrachtwagen vol vluchtelingen gingen die vanuit Barcelona de Franse grens over. In april 1939 nam een vertegenwoordiger van het IISG in Parijs de ‘Spaanse Kisten’ in ontvangst. Ze overleefden de tweede wereldoorlog in Engeland, waar het Instituut een depot had ingericht onder supervisie van, alweer, Arthur Lehning. Na de oorlog kwamen ze naar Amsterdam. Behalve archief bevatten de kisten de fotocollectie van het Bureau Buitenlandse Propaganda van de CNT/FAI. Rond 2013 werd de Spaanse kunsthistorica Almudena Rubio aangesteld om de digitalisering van een en ander voor te bereiden. Zij deed dat met oog en hart voor de zaak en publiceert er nu een Spaans/Engels fotoboek over: The Amsterdam Crates. Margaret Michaelis and Kati Horna in the Spanish Civil War. In Spanje heten de Spaanse kisten natuurlijk Amsterdamse kisten. Rubio sorteerde meer dan tweeduizend veelal anonieme foto’s en wist door gedegen vergelijkend onderzoek een groot gedeelte te identificeren. Honderden foto’s bleken gemaakt door de Oostenrijkse Margaret Michaelis en de Hongaarse Kati Horna, minder bekende maar even talentvolle collega’s van Robert Capa en Gerda Taro.

Barcelona was, naast Amsterdam en Parijs, begin jaren ’30 een favoriete wijkplaats voor kunstenaars en intellectuelen die zich bedreigd voelden door Hitler. Zij voelden zich aangetrokken door de vrije geest van de Republiek. De Oostenrijkse fotografe Margaret Michaelis (1902-1985), joods en getrouwd met een Duitse anarchist, opende in 1934 haar eigen fotostudio in Barcelona. Ze fotografeerde er de arbeiderswijk Barri Xino en specialiseerde zich daarna in de fotojournalistiek, die juist in die jaren vernieuwing doormaakte door de komst van de draagbare camera, de flits en het geïllustreerde tijdschrift. In 1936 kreeg ze een aanstelling bij het Oficina de Propaganda Extérior van de CNT. Daar wilden ze vooral de revolutionaire spirit in het land voor de buitenwereld vastgelegd hebben. Met haar Leica trok Michaelis door de straten, fabrieken en inderhaast ingerichte vakbondskantoren. Ze had speciale aandacht voor vrouwen en kinderen. Met de beroemde Amerikaans-Russische anarchiste Emma Goldman reisde ze naar het agrarisch collectief Albalate de Cinca. Uitgerekend over deze dorpsgemeenschap schreef Hanneke Willemse haar wonderschone, ook in het Spaans vertaalde Gedeeld Verleden: herinneringen van anarcho-syndicalisten aan Albalate de Cinca, 1928-1938. Dit boek is een kans bij uitstek om context te geven aan de foto’s die Michaelis er maakte. Maar Rubio laat hem liggen en we vinden de titel niet eens terug in de bibliografie. Gemis aan historische context doet zich wat mij betreft het hele boek door gelden. Gelukkig heeft Rubio zich niet laten verleiden tot weer het zoveelste achtergrondverhaal over de Spaanse Burgeroorlog. Maar over de sociale revolutie die tegelijkertijd plaatshad is niet zoveel bekend, en juist dat is het onderwerp waar beide fotografes zich op richtten. Bij een (hele fraaie!) foto van een timmerwerkplaats of een café in een kerk zou enige achtergrondinformatie niet hebben misstaan.
Michaelis vertrok in februari 1937 uit Spanje en vestigde zich in Australië. Bij het Propagandabureau van de CNT/FAI werd ze opgevolgd door Kati Horna – al heette die toen nog niet zo. Katalina Deutsch Blau (*1912) kwam uit een rijke Hongaars-joodse familie en was als kind al in Boedapest bevriend met Robert Capa. Ze volgde dezelfde fotografieopleiding als hij. In 1933 week ze uit naar Parijs, begin 1937 voegde ze zich bij de vele buitenlandse fotografen en journalisten die Barcelona doorkruisten. Ze was toen nog getrouwd met de Hongaarse CNT-medewerker Pal Partos, maar ontmoette een jaar later in Spanje haar grote liefde, José Horna. Met hem verhuisde ze naar Mexico om daar haar succesvolle carrière voort te zetten. Meer dan Michaelis lijkt Horna met haar foto’s een boodschap te willen uitdragen. Haar favoriete werkvorm, de fotocollage die een verhaal vertelt, past daar goed bij. Ze wil vriendschap en solidariteit laten zien, niet ellende en oorlogsgeweld. De dorpelingen die ze in Aragón fotografeert lijken zich niet bewust van de oorlog. De gedetineerde fascisten in de CNT-gevangenis in Barcelona vermaken zich in de bibliotheek en krijgen enorme pakketten met lekkernijen. De soldaten van de anarchistische Ascasa divisie zitten gezellig te kletsen achter het Huesca front (voorjaar 1937). Daar zouden tienduizend doden vallen. Weer roept dit de vraag op: wat zien we hier eigenlijk, of, minstens even relevant, want zien we niet? Terwijl op de foto’s van Robert Capa de tragiek van ieder gezicht afstraalt, lijken de mensen van Horna zelfs in het zicht van de dood nog blijmoedig. Komt dat omdat Horna de voorrang gaf aan het propagandistische aspect? Selecteerde het Propagandabureau van de CNT haar foto’s, of maakte Rubio zelf deze selectie? Ze vertelt er niets over.
Hoewel er dus wel een onsje geschiedenis en context méér in gemogen had, is dit een prachtig, indrukwekkend fotoboek. Het laat ons in bewondering achter voor de twee jonge vrouwen die, zonder kennis van de taal en gewapend met alleen een camera, stad en land doorkruisten om de geest van de revolutie vast te leggen. Door hun anarchistische overtuiging hadden ze, zeker na de mei-gebeurtenissen van 1937 in Barcelona, gevaar te duchten van rechts én links. Toch bleven ze met passie en empathie hun werk doen. En als Almudena Rubio er niet was geweest, hadden we daar nooit iets van gezien.
Almudena Rubio, Las Cajas de Ámsterdam. Margaret Michaelis y Kati Horna en la Guerra Civil/The Amsterdam Crates. Margaret Michaelis and Kati Horna in the Spanish Civil War. Diputación Provincial de Huesca/International Institute of Social History Foundation, 2026
Lees ook deze verwante artikelen:




