Onder de Spanjestrijders waren twaalf Groningers, zowel uit de stad als de provincie. Maar ook Duitse politieke vluchtelingen die illegaal in Groningen verbleven, of via Groningen naar Nederland waren gekomen, voegden zich bij de Internationale Brigades. Het verhaal van Sipke, Siep, Fedde, Jan en de anderen.

Door  Ruud Weijdeveld

Herkomst en beroep van de Groningse Interbrigadisten
Van deze bekende twaalf Groningers kwamen er acht uit de stad Groningen, de andere vier waren afkomstig uit Onstwedde, Oude Pekela, Boertange en Bellingwolde. Hun gemiddelde leeftijd was 31 jaar. De weinige beroepen, die in de documenten worden vermeld, waren zeeman en apothekersassistent. De twee zeelieden waren Gerard Veltman uit Groningen en Evert Belinga uit Oude Pekela. De apothekersassistent was de uit Friesland afkomstige, maar in Groningen woonachtige Sipke Visser, die in Spanje bij de medische dienst werkzaam was. Van slechts enkele anderen is het beroep bekend, maar we mogen aannemen, dat de meerderheid uit arbeiders bestond.

Politieke gezindheid
De meeste Spanje-vrijwilligers uit Groningen waren communistisch georiënteerd. Onder hen waren twee familieleden van bekende communisten: Jan Olfers en Fedde Alberts. Jan Olfers  was een broer van Frans Olfers, de secretaris was van de Internationale Rode Hulp in Groningen. De Rode Hulp, die nauw aan de CPN was gelieerd, hield zich in de jaren ’30 vooral bezig met de illegale opvang van Duitse vluchtelingen en met de steun-inzameling voor de Spaanse republiek. Fedde Alberts was de broer van Jan Alberts, een andere vooraanstaande communist. Jan Alberts zou later, tijdens de eerste fase van de bezetting, tot aan zijn arrestatie in september 1941, de leiding van illegale CPN in Groningen voor zijn rekening nemen. Van Siep Adema is bekend, dat hij zich in Amsterdam bij de communistische partij aansloot en ook van Nico Mourer is aan te nemen, dat hij ofwel lid was van de CPN of er in ieder geval mee sympathiseerde voor had. Ook hij vervulde tijdens de bezetting een belangrijke rol in het communistische verzet in Groningen. Hetzelfde gold voor Sipke Visser.

Of de anderen eveneens met de CPN sympathiseerden, kan niet zonder meer worden aangenomen, aangezien ook personen met andere politieke voorkeuren zich aansloten bij de Internationale Brigades. Maar voor enkele van hen zal dat zeker hebben gegolden, ook al omdat de CPN de enige partij was, die de lange en illegale reis naar Spanje organiseerde en daarvoor uit haar leden selecteerde.

Deelname aan de strijd in Spanje
Over de belevenissen van de Groningse vrijwilligers tijdens de burgeroorlog is maar weinig bekend. Jan Borgman uit Groningen kwam in mei 1937 om in of bij Brunete. Sipke Visser werkte in de korte tijd die hij in Spanje was (in het najaar van 1936) bij de ambulancedienst. Nico Mourer had na zijn schoolopleiding enkele jaren de officiersopleiding aan de KMA in Breda gevolgd. Daarvan waren er niet veel in de Brigades, die voornamelijk uit arbeiders bestonden. Mede als gevolg daarvan werd Mourer in Spanje officier bij de artillerie van het Thälmann-bataljon (genoemd naar de voorzitter van de Duitse communistische partij, die al sinds 1933 in gevangenschap was). Later kozen de manschappen hem als ‘politiek commissaris’. In 1938 werd hij opgenomen in het hospitaal en hij was bij de laatste troepen die eind 1938 uit Spanje werden gerepatrieerd. Siep Adema kwam in Spanje bij het Edgar André Bataljon. Tijdens de slag om Zaragoza werd hij gewond. Hij kon daarna niet meer aan de gevechten deelnemen en werd ingezet bij de opvang van nieuwe Nederlandse vrijwilligers in Albacete. Van andere Groningse Spanje-strijders is niets bekend.

Nico Mourer (derde van rechts) bezoekt met andere Interbrigadisten een kindertehuis. Uit: H. Maassen, Brigada Internacional, deel 1 (Berlin 1974).

De Duitse vrijwilligers uit Groningen
Door de vervolgingen waaronder zij in Duitsland te lijden hadden, vluchtten talrijke communisten naar het buitenland. Vaak werden zij zonder papieren over de grens naar de omringende landen gesmokkeld. Ook in het Groningse grensgebied was daarvan sprake. Illegale grensovergangen werden gebruikt bij Nieuwe Statenzijl, Delfzijl, Bellingwolde en op andere plaatsen. In Nederland  liepen zij de kans bij arrestatie weer over de grens naar Duitsland te worden gezet. Zeker gebeurde dit met de gevangenen uit de net over de grens gelegen kampen in het Duitse Eemsland. Als zij naar Nederland wisten te ontsnappen, werden ook zij in Nederland illegaal ondergebracht.

Verschillende van hen trokken naar Spanje, nadat daar de burgeroorlog was uitgebroken. Onder hen was August Levin, de eerste uit het Eemsland ontsnapte gevangene, die in november 1933 bij de communistische voorman Geert Sterringa voor de deur stond. Hetzelfde gold voor August Kraak, die uit Emden was gevlucht na een eerdere arrestatie en vanuit Groningen de ondersteuning van het communistische verzet in Emden organiseerde. Na zijn deelname aan de strijd in Spanje sloot hij zich tijdens de bezetting aan bij ondergrondse verzetsbeweging in Zuid-Frankrijk. Werner Waldeyer was vanuit Amsterdam naar Groningen gestuurd om daar de solidariteitsacties met de Eemsland-gevangen te ondersteunen. Ook hij ging later naar Spanje en daarna weer naar Frankrijk om daar verder te strijden tegen het Duitse fascisme.

Op 31 mei 1937 werd Jantina Buurmeyer, een 43-jarige vrouw uit de Groningse Irislaan, aangehouden omdat zij collecteerde voor de Spaanse ‘zieken en gewonden’. Haar opbrengst werd in beslag genomen.

Het optreden van de politie tegen het werven van Spanjestrijders
In Nederland bestond veel sympathie voor de republikeinse regering in Spanje en een brede solidariteitsbeweging kwam op gang. In Groningen namen aan het hier gevormde ‘Spanje-comité’ diverse hoogleraren deel. Geld en goederen werden ingezameld en bijeenkomsten werden belegd. Op 4 januari 1937 moest de bijeenkomst in de Beurs, met Jef Last als spreker, vanwege de grote toeloop zelfs twee keer worden gehouden.

Alhoewel het bij de Spanje-acties ging om de steun aan een wettig gekozen regering, trad de Groningse politie daartegen toch regelmatig op.  Uit de politierapporten van deze jaren blijkt, dat het collectanten voor Spanje lastig werd gemaakt. Op 31 mei 1937 werd Jantina Buurmeyer, een 43-jarige vrouw uit de Irislaan, aangehouden omdat zij collecteerde voor de Spaanse ‘zieken en gewonden’. Haar opbrengst werd in beslag genomen. Ook trad de Groningse politie op tegen het ‘ronselen’ van vrijwilligers. Hierover berichtten verschillende landelijke kranten op 18 februari 1938. Het  Nieuwsblad van het Noorden plaatste op die dag een artikel onder de kop ‘Communisten helpen jongens naar Spanje’, met als onderkop ‘Werklooze liep met f. 100,- in zijn zak.’ Hier was de communist Beno de Jong bij betrokken. Uit de politierapporten blijkt dat eind 1937 de communisten Jan Alberts en Ernst Mulder met dezelfde beschuldiging waren opgepakt. Tot een proces tegen deze of andere ‘ronselaars’ is het echter nooit gekomen.

Het illegale verzet tijdens de oorlog
Na de Duitse bezetting sloten verschillende teruggekeerde oud-Spanjestrijders zich aan bij het verzet. Nico Mourer kreeg al snel bezoek van Georg Schwarting, die op het Scholtenshuis de leiding had bij de bestrijding van het communistische verzet. Schwarting bleek vooral geïnteresseerd in August Kraak, waarvan hij wist dat die een bekende was van Mourer. Mourer zelf raakte al snel nauw bij de leiding van de illegale CPN betrokken. In 1941 werd hij maar liefst drie maal gearresteerd. In het najaar werd hij door Schwarting hoogstpersoonlijk met de auto naar Duitsland overgebracht. Daar kwam Mourer terecht in kamp Sachsenhausen, waar hij tot de bevrijding zou blijven.

Ook Fedde Alberts ging bij het ondergrondse verzet. Onder meer verspreidde hij in het Noorden van Drenthe de communistische verzetskrant ’Noorderlicht’. Alberts werd eveneens in 1941 gearresteerd en kwam in kamp Buchenwald terecht, waar hij later zijn beide broers Jan en Hilbrand nog zou ontmoeten.

portret Siep Adema tijdens een kort verblijf in Parijs 1938 geschilderd door Anneke van der Feer (bron: spanjestrijders.nl)

Siep Adema was na terugkeer uit Spanje weer naar Amsterdam gegaan, waar hij 1941 bij het verspreiden van pamfletten werd gearresteerd. Ook Adema kwam in Buchenwald terecht. In 1945 zou hij in het Oostenrijkse kamp Mauthausen worden bevrijd.

In de audiocollectie van het IISG is een gesprek te beluisteren waarin Siep Adema zijn levensverhaal vertelt. Zie ook: https://search.iisg.amsterdam/Record/COLL00179 en https://www.spanje3639nu.nl/links/

Sipke Visser was tijdens de bezetting werkzaam op de distributiedienst. Hij gebruikte zijn functie om honderdduizenden bonkaarten aan het verzet te verstrekken. Hij werd in 1944 gearresteerd en op 22 augustus van dat jaar in kamp Vught geëxecuteerd. Tenslotte mag de uit Oude Pekela afkomstige Evert Bellinga hier niet onvermeld blijven. Bellinga was zeeman en kwam op 8 maart 1941 om in de Atlantische Oceaan met het koopvaardijschip ‘Prins Frederik Hendrik’.

De lange strijd om erkenning na de bevrijding
Na de oorlog bevonden vele oud-Spanjestrijders zich in de positie, dat zij hun Nederlanderschap met de daaraan verbonden rechten kwijt waren geraakt. Bij de grensovergang na terugkeer uit Spanje hadden zij hun paspoort in moeten lveren, aangezien zij in ‘vreemde krijgsdienst’ waren getreden. Na de oorlog werd deze maatregel niet ongedaan gemaakt. Zelfs voor mensen die jaren in concentratiekampen hadden gezeten werd geen uitzondering gemaakt. Dat zorgde voor grote problemen. Bij het vinden van werk moesten zij een werkvergunning aanvragen. Vervolgens werd de werkgever door de politie ingeseind dat het ging om een communistische oud-Spanjestrijder.

Spanjestrijders Arie Kloostra (links) en Piet Laros (rechts) demonstreren in 1969 bij het Nederlandse parlement voor het teruggeven van het staatsburgerschap aan alle voormalige Spanje-strijders.

Siep Adema verhaalde later hoe moeilijk het daarom was voor hem om aan werk te komen. Ook Jan Olfers leefde in grote armoede. Jan Rootlieb jr., de zoon van oud-verzetsman Jan Rootlieb sr., herinnerde zich later dat hij regelmatig van zijn moeder een pannetje eten bij hem moest brengen. Toen in 1953 de regering besloot om het Nederlanderschap terug te geven aan de vele tienduizenden, die in Duitse, Italiaanse of Japanse dienst waren getreden, bleven de oud-Spanjestrijders buiten beschouwing. Nico Mourer kreeg zijn Nederlanderschap pas terug in 1963, kort voor zijn dood in 1965. Bij Siep Adema duurde dit zelfs tot 1965 en zoals de foto hierboven laat zien was de kwestie ook in 1969 nog niet geregeld.

Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift Stad & Lande en op de site van de Stichting Spanje 36-39

In dit overzicht ontbreekt een Groningse Spanjestrijder; Jacob van Delft uit Slochteren.