door Jaap-Jan Flinterman
Net als dit jaar viel in 1936 de 18de juli op een zaterdag. De 18de en 19de juli begonnen verwarde berichten over gebeurtenissen in Spanje in de kolommen van de Nederlandse dagbladen door te sijpelen, maar het duurde tot maandag 20 juli voordat de eerste substantiële berichten over de vijandelijkheden verschenen. Welk beeld van de aard en inzet van het conflict rijst uit de krantenkolommen op? De katholieke bladen De Volkskrant en De Tijd kozen partij tegen het Spaanse volksfront en tegen de wettige regering van de republiek. Een citaat: ‘De rechterzijde heeft de oorlog verklaard aan links, omvattende socialisten, syndicalisten, anarchisten en communisten die Spanje in de afgrond van het bolsjewisme willen storten.’ Een analyse van hoe de katholieken in Nederland door hun kranten werden voorgelicht.
Het begin van de burgeroorlog
Op 18 juli 1936 werd de wereld opgeschrikt door berichten over een militaire opstand tegen de wettige regering van de Spaanse republiek. Binnen enkele weken werd duidelijk dat de rebellen steun ontvingen van Duitsland en Italië. Spanje, tot op dat moment voor veel mensen een witte plek op de kaart van Europa, kwam in het brandpunt van de internationale belangstelling te staan. De militaire opstand leidde tot een burgeroorlog die bijna drie jaar duurde, honderdduizenden het leven kostte en resulteerde in een fascistische dictatuur die de Tweede Wereldoorlog 30 jaar zou overleven.
In 1931 was door een geweldloze revolutie een einde gemaakt aan de Spaanse monarchie. De vestiging van de republiek betekende een tijdelijke nederlaag voor de reactie, die echter al spoedig weer de kop opstak. In de vijf jaar die aan de burgeroorlog voorafgingen, formeerden zich geleidelijk twee kampen. Aan de ene kant de arbeidersbeweging (onderverdeeld in anarchosyndicalisten, socialisten en communisten), de republikeinen (linksliberalen) en de voorstanders van autonomie voor Baskenland en Catalonië. Aan de andere kant de grootgrondbezitters, de financiële oligarchie, de officierskaste en de rooms-katholieke kerk. In februari 1936 werden verkiezingen gehouden, die gewonnen werden door het volksfront: een coalitie van republikeinen, socialisten en communisten. De republikeinen vormden met parlementaire steun van de arbeiderspartijen een regering. Rechts vreesde dat er onomkeerbare feiten zouden worden geschapen: militairen, conservatieven, monarchisten en fascisten begonnen een staatsgreep voor te bereiden.

De militaire opstand begon op 17 juli in Spaans Marokko. De volgende dag kwamen garnizoenen in Spanje zelf in actie. Na aanvankelijke aarzelingen besloot de regering op 18 juli over te gaan tot de verdeling van wapens onder de aanhangers van vakbonden en arbeiderspartijen. Samen met regeringsgetrouwe legeronderdelen wisten arbeidersmilities in het grootste deel van het land de opstand neer te slaan. De feitelijke macht in de republikeinse zone kwam in handen van de gewapende organisaties van de arbeidersklasse. De regering verloor na het uitbreken van de vijandelijkheden haar greep op de gebeurtenissen. Wie verdacht werd, al dan niet terecht, van steun aan de opstand was zijn leven niet zeker. Tienduizenden mensen vonden de dood door lynchpartijen en standrechtelijke executies. Onder hen waren meer dan 6800 priesters en leden van religieuze ordes, want de volkswoede richtte zich mede tegen kerkelijke eigendommen en katholieke geestelijken. Een traditie van militant antiklerikalisme verbond de verschillende groeperingen die zich tegen de militaire opstand verzetten, van links-liberalen tot anarchisten; de kerk en haar vertegenwoordigers werden geïdentificeerd met de vijanden van de republiek.
In de republikeinse zone nam, toen de regering na enkele maanden haar gezag herstelde, de terreur sterk af. In de rebellenzone was dat anders. Voor de militaire opstandelingen was fysieke vernietiging van links niet alleen een middel om een vaak vijandig gezind achterland te pacificeren, maar ook oorlogsdoel: wie zich verzette tegen de putschisten en/of anders dacht dan de ‘nationale krachten’ moest zonder scrupules worden geëlimineerd. Waar de rebellen succes hadden waren massa-executies vanaf het begin aan de orde van de dag; daarin zou na hun overwinning voorlopig geen verandering komen. Het totale aantal slachtoffers van Franco en de zijnen wordt geschat op 150.000.1
Na de eerste dagen zag de militaire situatie er voor de coupplegers weinig rooskleurig uit: in grote steden als Madrid, Barcelona, Valencia en Malaga was de opstand in de kiem gesmoord. Wel waren ze erin geslaagd grote delen van Noord-Spanje (behalve Catalonië en de Atlantische kuststrook), Spaans Marokko en enkele steden in het zuiden, waaronder Sevilla, in handen te krijgen. Een probleem voor de rebellen was dat de marine de regering trouw was gebleven. Daardoor konden zij de beste troepen waarover ze beschikten, het koloniale Leger van Afrika, niet overzetten naar het vasteland. Nog voor eind juli stelden Hitler en Mussolini transportvliegtuigen en piloten ter beschikking. Die vlogen in augustus en september een aanzienlijk deel van het koloniale leger over naar Andalusië. Daarmee bouwden de rebellen hun steunpunten in het zuiden uit, zodat ze zich konden opmaken voor een opmars naar Madrid.

Reacties in twee katholieke dagbladen: de eerste twee weken (20 juli tot 1 augustus)
Net als het politieke landschap bood de Nederlandse dagbladpers een sterk verzuilde aanblik. Een poging om de reacties op het uitbreken van de burgeroorlog over de volle breedte van het politieke spectrum in kaart te brengen zou te ambitieus zijn. We beperken ons hier tot een impressie van de reacties in de katholieke zuil gedurende twee weken na het uitbreken van de oorlog op 18 juli. We doen dat aan de hand van berichtgeving over en commentaren op de gebeurtenissen in Spanje in twee landelijke katholieke kranten: De Volkskrant, nauw gelieerd aan de katholieke vakbeweging, en De Tijd, de katholieke ‘kwaliteitskrant’.2 Welk beeld van de aard en inzet van het conflict rijst uit de krantenkolommen op? Net als dit jaar viel 18 juli in 1936 op een zaterdag. De 18de en 19de juli begonnen verwarde berichten over gebeurtenissen in de kolommen door te sijpelen, maar het duurde tot maandag 20 juli voordat de eerste substantiële berichten over de vijandelijkheden in Spanje in de Nederlandse dagbladen verschenen.
Een aarzelend begin
De voorpagina van De Volkskrant leverde die maandag vooral veel feiten. Onder de kop “Spanje in volle burgeroorlog” werd gemeld dat Spaans Marokko “geheel in handen der rebellen” was, maar dat de regering in Madrid “de toestand geheel in handen had” en dat de rebellen in Barcelona aan de verliezende hand waren. Verder werd bericht dat “linkse arbeiders door de regering bewapend” werden. In een commentaar onder de titel “Opstand, revolutie of burgeroorlog?” onthield de redactie zich van een duidelijke stellingname. Maar men ging ervan uit dat een deel van het Spaanse leger “tegen het wettige gezag [had] samengespannen”, en het commentaar eindigde zelfs met het uitspreken van de hoop dat het de nieuw aangetreden premier Giral zou mogen “gelukken het geschokte land rust te geven en vooral een bewind te voeren, dat de rechtvaardigheid jegens allen betracht. Muiterij en opstand onderdrukken is iets, maar muiterij en opstand voorkomen is beter.”
De Tijd schilderde in het buitenlands overzicht van 20 juli de ontwikkelingen in Spanje als waarschuwend voorbeeld tegen volksfrontvorming. De gebeurtenissen van de voorafgaande maanden hadden laten zien “hoe snel Spanje afzakt langs de helling van het Volksfront naar een soort van autonome republieken (…) min of meer naar het model van de Unie van Socialistische Russische Sovjetrepublieken. De thans in opstand zijnde militairen trachten dit verder afzakken met geweld te keren, maar of dit lukken zal is de vraag. Uit de troebelen van het ogenblik kan zowel een militaire dictatuur als een rood arbeidersrégime voortkomen. Het extremisme is er troef, maar noch dat van links, noch dat van rechts zal Spanje waarschijnlijk de zo hoog nodige rust kunnen bezorgen. Spanje en zijn ellende mogen andere landen tot een afschrikwekkend voorbeeld worden. Het leert, dat Volksfrontvorming een voorbereiding is voor de joyeuse entree der Moskouse ideologie en gewelddadige reacties in het leven roept, welke het land in zijn bestaan bedreigen.”
Tegen “de gesel van het bolsjewisme”
De volgende dag, dinsdag 21 juli, was de voorpagina van De Volkskrant nog steeds gewijd aan heroïsche pogingen om enige lijn aan te brengen in de verwarrende en tegenstrijdige berichtgeving. Maar in haar commentaar (“De maat was vol”) tapte de redactie nu uit en heel ander vaatje. De militaire opstand werd gerechtvaardigd als “het logische en wanhopige verzet van een groot gedeelte van het volk tegen het linkse terrorisme, (…) de onvermijdelijke strijd van links tegen rechts, uitgelokt door links en door rechts als laatste wanhopige redmiddel aanvaard (…). [D]e rechterzijde (…) heeft de oorlog verklaard aan links, omvattende socialisten, syndicalisten, anarchisten en communisten die Spanje in de afgrond van het bolsjewisme willen storten.” De legitimiteit van de regering, de voorgaande dag nog belichaming van het “wettige gezag”, werd nu met zoveel woorden ontkend: “De rode regering van thans Is geen regering, het is de voorloopster van de sovjet-dictatuur en als zodanig de staats- en volksvijand van alle rechtse partijen die beseffen dat de gesel van het bolsjewisme het einde zal betekenen van Spanje, van het Spaanse volk, van eeuwenlange tradities, van geloof en godsdienst.” De Tijd onthield zich vooralsnog van dit soort stellingnames. “Hoe alles zal aflopen”, meldde het buitenlands overzicht, “is nog steeds niet te voorspellen, maar zo lang Spanje van het ene uiterste in het andere valt en de machthebbers, onverschillig aan welke kant zij staan, uit het verleden niets wensen te leren en rigoureus uitsluitend hun eigen zin en die van hun partij trachten door te drijven en daardoor bloedige reacties van hun tegenstanders in het leven roepen, zal de historisch beruchte Spaanse Furie telkens opnieuw over het arme Spanje woeden en land en volk ondermijnen.”
Antiklerikale excessen
Donderdag 23 juli verschenen voor het eerst berichten over antiklerikale excessen in de republikeinse zone. Onder de kop “Priesters vermoord in Barcelona” meldde De Volkskrant (pagina 5) op gezag van de correspondent van Reuter: “Na de overwinning der communistische strijdkrachten trokken troepen anarchisten en communisten door de stad, die elke kerk, elk klooster of kerkelijk gebouw plunderden en in brand staken. Niet minder dan twintig kerken en kloosters werden met de grond gelijkgemaakt of ernstig beschadigd. Slechts de beroemde kathedraal bleef intact. In een seminarie werden verscheidene priesters ter dood gebracht. Later trok een menigte in overwinningsroes door de straten der stad, gekleed in de gewaden der kerkelijke autoriteiten.” Hetzelfde bericht verscheen op pagina 6 van De Tijd, onder de iets neutraler kop “De burgeroorlog in Spanje”.

Voor de katholieke arbeiders die het nog steeds niet begrepen of wilden begrijpen, legde de redactie van De Volkskrant het in haar commentaar van 23 juli, “Wie is de vriend der arbeiders?”, nog een keer uit: “De enige grote en betrouwbare vriend van de arbeider is de katholieke Kerk die reeds lang vóór de wereld van het communisme hoorde opkwam voor de rechten van de werkende stand.” De redactie voorzag “een eindstrijd waarin het nationaalsocialisme geen rol zal spelen maar waarin het bolsjewisme het zal opnemen tegen zijn groten tegenstander: de katholieke Kerk.” “Het bolsjewisme in Spanje” bewees dat die “grote eindstrijd aanstaande” was. Het contrast met het gematigde redactioneel commentaar van drie dagen tevoren was opvallend. Maandag was de hoop nog gevestigd geweest op herstel van de rust; donderdag werden de katholieke arbeiders opgeroepen zich aan te gorden voor een apocalyptische confrontatie met het communistische Kwaad.

De foto maakt deel uit van de Jordi Jové Permanyer-collectie (Arxiu Municipal de Barcelona).
Verwoesting door brand van kerken en kloosters en moorden op priesters en kloosterlingen bleven in de onderzochte periode een prominente plaats innemen in de berichtgeving in de katholieke kranten. Zo konden lezers van De Volkskrant van dinsdag 28 juli op de voorpagina koppen lezen als “Gruwelen in Barcelona – Priesters gedwongen kloosters in brand te steken – Anarchisten dansen op het altaar”. Lezers van De Tijd kregen die dag, met iets minder details, hetzelfde beeld: “Gruwelen van godsdiensthaat te Barcelona”.
‘Spanje weer een beschaafde natie’
Tegen het einde van de eerste week van de burgeroorlog ademden gemengde berichten in De Volkskrant en De Tijd inmiddels nog steeds verwarring en tekort aan informatie. De Volkskrant liet vluchtelingen aan het woord, wier mededelingen, weinig verrassend, strookten met hun uiteenlopende politieke overtuigingen. Gevluchte kloosterlingen en priesters aan de Frans-Spaanse grens vertelden dat “priesters [waren] doodgeschoten of onthoofd” (24 juli, voorpagina). Republikeinse vluchtelingen in Gibraltar beklaagden zich over het optreden van Marokkaanse troepen van het Spaanse Vreemdelingenlegioen, die zich aan moord en brandstichting te buiten zouden gaan (24 juli, pagina 5).
Op zaterdag 25 juli opende de krant over vier kolommen met een citaat uit een proclamatie van de opstandige generaal Mola: ‘Spanje weer een beschaafde natie’. Op pagina 5 stond een verslag van het vraaggesprek dat een correspondent van het Franse reactionaire dagblad Le Matin met generaal Mola had gehad. Hij voorspelde een spoedige overwinning en benadrukte ‘dat de opstandelingen republikeinse doeleinden nastreven en dat generaal Franco en hij slechts tegen de verraders van Spanje strijden.’ De situatie bleef verwarrend, want tegelijkertijd meldde men op gezag van “onze V.P.B.-correspondent” in Gibraltar dat de Spaanse vloot, inmiddels vast in Republikeinse handen, de opdracht had gekregen “de Straat van Gibraltar af te sluiten en ieder transport van Afrikaanse troepen te verhinderen.” De polemische rubriek ‘Men schrijft: wij vragen’ confronteerde de redactie van het communistische dagblad De Tribune met de vraag waarom haar geestverwanten in Spanje kerken verbrandden.
Het minste van twee kwaden
In de tweede week hield De Volkskrant vast aan de koers die men de voorgaande week had uitgezet: een overwinning van de rebellen was het minste van twee kwaden. Naar aanleiding van een solidariteitstelegram van de Socialistische Arbeiders Internationale aan de Spaanse geestverwanten schreef men maandag 27 juli: “Dit is dus het standpunt der sociaal-democraten ten opzichte van de volksfrontpolitiek in Spanje. Wij kennen deze politiek. Communisten, socialisten en radicalen sloten zich aaneen (…) tegen allen, die uit diepe overtuiging zich te weer stellen, om te voorkomen, dat op de puinhopen der christelijke beschaving het Aziatische bolsjewisme zegeviert. Dát is het grote gevaar, dat Spanje bedreigt en zó duidelijk waar te nemen valt, dat niemand zich hierin vergissen kan. In het Spaanse volksfront is de feitelijke leiding bij de communisten, die ook de socialistische arbeidersbeweging onder Caballero hebben overmeesterd. Het bewijs is geleverd door de feiten van de laatste tijd, vooral door de gruwelijke kerkvervolging en kloosterstorm, die over Spanje losgebroken is. (…) Een deel van het ganse volk, en zeker niet de minderheid, strijdt tegen een ander deel, tegen de aanhangers van het Volksfront, tegen de regering en de door haar gewapende communisten, anarchisten en socialisten. Het einde van de strijd moet zijn óf een militaire dictatuur óf de overwinning van het communisme, de vestiging van een Sovjetrepubliek in Spanje. Het eerste kunnen wij geenszins toejuichen, maar het laatste is oneindig verschrikkelijker.”
De Tijd greep die maandag een tot katholieke arbeiders gerichte uitnodiging, in het communistische dagblad De Tribune, tot vorming van een volksfront in Nederland aan om krachtig uit te pakken over antiklerikale excessen in Spanje: “Ongetwijfeld hebben ook achter de Pyreneeën vele katholieken, die niet de consequenties van hun geloof actief beleefden in de religieuze, sociale en politieke gemeenschap, schuld jegens God en hun volk. Maar het bewerken van de massa door de communistische goddelozen, de Sovjet-cellenbouw tot verkankering van de gezonde volkskrachten, de agitatie der door bolsjewistische cursussen geschoolde leiders, die het Volksfront (…) tegen Kerk, pastoors en de ‘godsdienst die opium is’ ophitsten, bereidden de uitbarsting van de losgebroken furie tegen kerken en kloosters voor. (….) En terwijl deze Spaanse furie door de agenten van Moskou wordt aangeblazen, komt De Tribune de katholieke arbeiders in Nederland uitnodigen, ook hier met hen een Volksfront te vormen!”
Katholieke polemieken tegen CPN en SDAP
Rond het einde van de eerste en het begin van de tweede week van de oorlog begonnen beide katholieke dagbladen de Nederlandse communisten en sociaal-democraten dus aan te spreken op de antiklerikale excessen in Spanje. Daarmee zou men voorlopig niet ophouden. Dit bracht vooral de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in een lastig parket.3 Men hoopte op regeringsverantwoordelijkheid, en samenwerking met de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) bood daarop het enige reële perspectief. Dat was – naast politiek-ideologische bezwaren – voldoende reden om voorstellen van de Communistische Partij van Nederland (CPN) voor de vorming van een volksfront consequent van de hand te wijzen. Maar de Nederlandse sociaal-democraten maakten ook deel uit van een internationale beweging, en in Spanje en Frankrijk waren de sociaal-democratische partijen wél ingegaan op de communistische avances. Daar mocht men in Nederland het zijne van denken, maar men vond dat onvoldoende reden om geheel af te zien van internationale solidariteit met de Spaanse kameraden, toen die geconfronteerd werden met een militair-fascistische opstand. Van katholieke zijde werd die solidariteit aangegrepen om de oprechtheid van de afwijzing van het volksfront door de Nederlandse sociaal-democraten in twijfel te trekken. Dinsdag 28 juli schreef De Tijd over regeringsdeelname van de SDAP: “Haar internationale verbindingen, waardoor zij contact heeft met partijen als de Franse en de Spaanse, zijn en blijven compromitterend voor de politiek, welke zij in Nederland wil bedrijven. In verschillende landen heeft het bewind harer ‘zusterpartijen’ daden gesteld en toestanden geduld, die de Katholieken enkel maar kunnen afschrikken.”
Woensdag 29 juli trok De Volkskrant van leer tegen de CPN onder de titel “De kerkbranders”. Behalve over de gebeurtenissen in Spanje ging het vooral om de vrees dat de Nederlandse sociaal-democratie door haar solidariteit met de Spaanse kameraden en door haar internationale contacten in volksfront-vaarwater zou belanden. De CPN, “die in ons land al haar pogingen om een volksfront te vestigen tot dusver heeft zien mislukken, mag inderdaad vaststellen dat de Socialistische Arbeiders Internationale en het Internationaal Verbond van Vakverenigingen en de socialisten in de verschillende landen, zelfs in het nuchtere Engeland, ten aanzien van Spanje de communisten de hand reiken. De helderzienden onder de sociaal-democraten zullen daarvan niet zonder bekommering getuige zijn.” Het was dezelfde zorg die De Tijd een dag eerder had uitgesproken. En samenwerking in solidariteitsacties met de Spaanse Republiek was inderdaad precies waarop de Nederlandse communisten hoopten.
De Volkskrant zette op 31 juli de pennenstrijd over de antiklerikale excessen tegen de sociaal-democratische pers voort. Het Volk had geconstateerd dat “veel katholieke bladen in ons land in de Spaanse burgeroorlog ‘uit hoofde van de antipapistische gewelddaden’ – gewelddaden die ook het blad veroordeelt – ‘de verkeerde zijde’ kiezen.” De katholieke krant riposteerde: “Wat belet aan de zijde der ‘regering’ te gaan staan is dat zij geen macht heeft om de buitensporigheden, door Het Volk als ‘antipapistische gewelddaden’ aangeduid, tegen te gaan, niet de macht of niet de wil. (…) Wint in Spanje het ‘wettig gezag’ het, dan is een tweede Sovjet-Rusland op komst, waar de sociaaldemocraten allicht geen beter lot zal zijn beschoren dan hun in Rusland is bereid geweest.” In een redactioneel commentaar van zaterdag 1 augustus werd hierop voortgeborduurd: “Naar ons oordeel gaat het (…) om de vraag, of daar straks een communistische of een militaire dictatuur zal worden gevestigd. Dat men in dit vooruitzicht voor de [militaire dictatuur] kiest, omdat men daarbij de volksvrijheden toch nog veiliger acht dan bij een communistische dictatuur, is volkomen aannemelijk. (…) Als straks de dictatuur in handen moet komen van mensen die nu reeds kerken en kloosters verbranden of vernielen en priesters en religieuzen vermoorden, dan staat het er met de vrijheden, die voor katholieken van de eerste en hoogste orde zijn, stellig uiterst slecht voor. (…) Vandaar (…) dat (…) in de broederstrijd over de Pyreneeën de sympathieën zich vestigen waar de éérste en heiligste, dat zijn de godsdienstige vrijheden, althans nog enige kans maken. Democratische vrijheden best! Maar dan met inbegrip van de godsdienstige, anders is voor de oprechte katholiek de keuze gemaakt. In de orde der vrijheden staan voor ons de godsdienstige zonder enig voorbehoud op de eerste plaats.”
De Tijd publiceerde vrijdag 31 juli een commentaar van dezelfde strekking onder de omineuze titel “Over de ’toenadering’ van de SDAP – Internationaal en Nationaal.” Het was, net als de polemiek in De Volkskrant die dag, een reactie op het stuk in Het Volk. “Het Volk keurt de antikatholieke gewelddaden in Spanje ‘evenzeer af als de katholieke pers dit doet.’ Het blad verklaart ‘er generlei behoefte aan te hebben om de toenadering, die zich de laatste tijd tussen katholieken en ons voordoet, door de Spaanse burgeroorlog te laten verstoren.'” Maar zo gemakkelijk kwamen de Nederlandse sociaal-democraten er wat betreft De Tijd niet vanaf. Vooral de opstelling van de Socialistische Arbeiders Internationale bood een stok om de hond te slaan: “De S.D.A.P., die met een nationale, zij het voorlopige geste, het aangeboden front met de heren De Visser en Wijnkoop weigerde, sympathiseert met de Spaanse eenheid, die de slaven van de Komintern als stoottroep in de kloosterstorm duldt.4 Het Volk wijst de verantwoordelijkheid voor de furie af, die religieuzen dwong hun eigen scholen en kloosterkapellen in brand te steken om hen daarna in de vlammen te drijven of te fusilleren, maar de S.D.A.P. verlangt stoffelijke en morele steun voor de Spaanse regering tot bescherming van de ‘democratie’. (…). Pas hebben de tweede Internationale en het Internationaal Vakbureau — in het bestuur van de eerste vertegenwoordigt de heer Albarda de S.D.A.P., in het tweede de heer Kupers het Ned.V.V. en beiden waren op de jongste vergadering te Brussel aanwezig — tot de arbeiders van alle landen de verklaring gericht, dat Internationale en Vakbureau ‘volledig staan aan de zijde der Spaanse arbeiders en boeren in hun moedigen strijd voor de democratie en de republiek’ wijl die weer is een nieuwe fase ‘van de internationale strijd tussen fascisme en democratie’. En dientengevolge moeten de sociaaldemocratische massa’s eisen ‘van alle democratische staten, dat in overeenstemming met de bepalingen van het internationale recht, de wettige regering van Spanje de middelen zal kunnen krijgen, die nodig zijn voor haar verdediging.'” De Tijd concludeerde dat “de Arbeiderspers (…) op den duur een minder dubbelzinnige consequentie [zal] moeten trekken dan thans uit de houding van haar Internationale blijkt, indien zij op een eerlijke koers de ’toenadering’ wil zoeken, waarop zij prijs schijnt te stellen.” De SDAP was gewaarschuwd: solidariteit met de Spaanse volksfrontregering bracht samenwerking met de RKSP in gevaar.
Een klerikaal-fascistische dictatuur als wenkend perspectief
Woensdag 29 juli ging De Tijd uitvoerig in op de “toekomst van Spanje”. De beschouwing was een klaarblijkelijke poging om de keuze tussen militaire en communistische dictatuur, die in De Volkskrant zo duidelijk was gesteld, van iets van haar scherpte te ontdoen. Om te beginnen constateerde men dat “de burgerstrijd (…) noodzakelijkerwijze met de volstrekte nederlaag van een der partijen eindigen moet.” Zou de militaire opstand worden neergeslagen dan “zal het [tenslotte] Moskou zijn dat met de eigenlijke politieke winst strijken gaat.” Slaagt de opstand, dan zullen voorlopig de militairen de lakens uitdelen. “De militaire dictatuur zal tot eerste en voornaamste taak hebben een zuiveringsactie te beginnen. De anarchie van het ogenblik zal plaatsmaken voor een orde, die met ijzeren hand zal worden gehandhaafd. De leiders van het Volksfront zullen zich, voor zover ze niet gearresteerd worden, over de grens in veiligheid trachten te brengen. Het volk zal ontwapend worden. De marxistische partijen zullen worden ontbonden.” Maar binnen niet al te lange tijd, zo hoopte de schrijver, zouden de generaals zich genoodzaakt zien weer burgers bij het bestuur te betrekken. Verkiezingen voor een nieuwe Cortes zouden plaatsvinden, en dan zou “de CEDA, die het vooruitstrevende Katholicisme vertegenwoordigt, weldra de volle maat van zijn bekwaamheid tot regeren (…) kunnen geven. Onder die omstandigheden is het zeker dat Spanje zich tot een Katholieke en corporatieve staat ontwikkelt, waarvan het staats- en maatschappelijk systeem zowel aan dat van Oostenrijk als aan dat van Portugal zal doen denken. Het behoeft geen nadere uitleg dat een evolutie van deze aard voor het ongelukkige land verreweg de beste zou zijn. Alleen langs deze weg is nieuwe opbloei mogelijk. Alleen langs dezen weg zijn de rust en de orde te herstellen en te verzekeren.”
De schrijver van de beschouwing zei het niet met zoveel woorden, maar het was vast niet zijn bedoeling dat de “marxistische partijen” aan de verkiezingen voor een nieuwe Cortes zouden kunnen deelnemen. Portugal en Oostenrijk werden destijds allebei geregeerd door klerikaal-fascistische dictaturen, en er is goede reden om de Spaanse CEDA (Confederación Española de Derechas Autónomas), de partij die volgens de schrijver ‘het vooruitstrevende Katholicisme’ vertegenwoordigde, tot dezelfde politieke stroming te rekenen. De toekomst die de beschouwing schilderde, kwam neer op aflossing op termijn van een militaire door een klerikaal-fascistische dictatuur. Voor democraten nauwelijks een wenkend perspectief.
Twee dagen later, op vrijdag 31 juli, publiceerde De Tijd een beschouwing die enige nuanceringen aanbracht en dicht in de buurt van een veroordeling van de militaire opstand kwam. Het viel “niet te ontkennen, dat de sympathie aan de kant der rebellen” lag, maar “[m]en moet toch voorzichtig en onpartijdig zijn bij het verdelen en het opladen van verantwoordelijkheden. ‘Wij hebben vernomen’, aldus het katholieke Franse democratische dagblad l’Aube, ‘dat de in opstand gekomen officieren het marxisme willen uitroeien. De vraag blijft open, of het middel, dat zij daartoe kozen, een wettig middel is. En eveneens blijft de vraag open, of dit middel leiden kan tot het beoogde doel.’ Bij de heldere schijn der vlammen, die kerken en kloosters verwoesten, en met de blik op de stromen bloeds, die worden vergoten, schijnt het ons zeker, dat het antwoord op deze twee vragen negatief moet uitvallen. Geen mens kan op het ogenblik met zekerheid zeggen, wie van de beide partijen ten slotte zal overwinnen. Indien het Volksfront echter de zegepraal behaalt, dan hebben de officieren, die het marxisme wilden uitdelgen, de schuld van zijn uiteindelijke triomf op hun geweten. In dit jaar van angst en zorgen is het de grootste misdaad, het geweld te hebben ontketend. Het gebeurt vaak dat zekere lieden deze misdaad begaan met de beste intenties van de wereld. Desniettemin heeft men niet het recht te ontkennen, dat de straf deze misdaad op de voet volgt. Helaas, degenen, die de Rubicon zijn overgegaan, zijn dan niet de enige slachtoffers. Goedschiks of kwaadschiks sleuren zij degenen mede in de afgrond die ze hadden willen redden. Daarom branden nu opnieuw kloosters en kerken in Spanje.” Dinsdag 21 juli had De Volkskrant de opstand gerechtvaardigd, omdat “de maat vol” zou zijn geweest. Tien dagen later was dit een conclusie die De Tijd kennelijk nog niet wilde trekken.
Vrees voor internationalisering van de burgeroorlog
Nadat De Tijd op woensdag 29 juli had gemeld dat de opmars van de zuidelijke troepen van de opstandelingen naar het noorden werd vertraagd doordat “[d]e zending van nieuwe troepen uit Marokko wordt bemoeilijkt door het feit, dat de regeringsvloot nog de straat van Gibraltar beheerst”, berichtte De Volkskrant donderdag 30 juli en zaterdag 1 augustus over de levering van Duitse en Italiaanse vliegtuigen aan de rebellen. Deze berichtgeving werd gecombineerd met al eerder (De Volkskrant 27 juli, De Tijd 28 juli) opgedoken geruchten over de levering van Franse wapens en vliegtuigen aan de Spaanse regering. De Tijd wees er vrijdag 31 juli op dat sociaal-democratische oproepen tot steun aan de Spaanse regering het gevaar van “internationalisering” van de burgeroorlog in zich borgen. Met deze stellingname sorteerde het dagblad voor op de non-interventiepolitiek zoals die vanaf augustus gestalte zou krijgen en die de Spaanse regering wapens zou onthouden – wapens die Duitsland en Italië rond deze tijd met onbekrompen hand aan de rebellen begonnen te leveren.
Epiloog
“Het meest schadelijke aspect van het geweld, dat door aanhangers van de rebellen in het buitenland ten volle werd uitgebuit, waren de aanvallen op de geestelijkheid,” aldus Paul Preston.5 De juistheid van dat oordeel vindt ruimschoots bevestiging in de berichtgeving over de gebeurtenissen in Spanje tijdens de eerste weken van de burgeroorlog. Vrijwel vanaf het begin treft men in de katholieke pers de opvatting aan dat de militair-fascistische opstand een noodgreep was geweest om Spanje te behoeden voor de “afgrond van het bolsjewisme”. Voor de pluriformiteit van de linkse beweging in Spanje had men weinig emplooi. Door de verwoesting van kerken en de moorden op geestelijken zagen katholieke opiniemakers zich in hun gelijk bevestigd. De verontwaardiging daarover drong nuanceverschillen over de legitimiteit van de opstand naar de achtergrond.
Dat zulke nuanceverschillen wel degelijk bestonden bleek vooral uit opiniërende stukken in De Tijd. Dat dagblad “behield steeds enige aarzeling om de opstand van Franco te steunen.”6 In het najaar van 1936 bood men een podium aan de katholieke hispanoloog Johan Brouwer. Brouwer had in augustus de rebellenzone bezocht en was getuige geweest van de meedogenloze terreur van de opstandelingen. Met name had hij met eigen ogen de slachting gezien die het Leger van Afrika na de verovering van Badajoz had aangericht. Hij was daardoor genezen van zijn aanvankelijke sympathie voor de opstand. In een serie ‘Gesprekken in Spanje’ deed hij verslag van zijn ervaringen, en hoewel hij zich presenteerde als onafhankelijk waarnemer, lieten zijn reisimpressies geen misverstand bestaan over de omvang van de repressie in de rebellenzone.7
Brouwer was een uitzondering. Zelfs waar twijfels over nut en noodzaak van de opstand bestonden, keerde de katholieke publieke opinie in Nederland zich in overgrote meerderheid tegen de Spaanse Republiek. Vandaar dat solidariteitsorganisaties met de Republiek zich genoodzaakt zagen uitvoerig aandacht te besteden aan de positie van het Spaanse katholicisme. De belangrijkste van deze organisaties was de Commissie ‘Hulp aan Spanje’, die vanaf de nazomer van 1936 geld en goederen inzamelde en die in de loop van haar bestaan talrijke brochures uitgaf.8 In geen van deze brochures ontbreekt het onderwerp ‘katholieken en Spanje’ geheel; verschillende zijn er uitsluitend of in hoofdzaak aan gewijd. Maar dit bericht is al lang genoeg. Aan de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ zullen we een volgende keer aandacht schenken.
- Een belangrijk boek over de terreur tijdens de Spaanse Burgeroorlog in de republikeinse én in de rebellenzone is Paul Preston, The Spanish Holocaust. Inquisition and extermination in twentieth-century Spain, New York/London 2012 ↩︎
- De typering van De Tijd is van Hendrik Henrichs, ‘Johan Brouwer en de Spaanse Burgeroorlog, 1931-1939. Een Nederlander in het Spaanse labyrint‘, De Gids 145, 1982, 79-100, aldaar 83. ↩︎
- Zie voor Nederlandse sociaal-democraten en de Spaanse burgeroorlog Margreet Braams, ‘Linkse partijen in Nederland en de Spaanse burgeroorlog’, in: “Wat dunkt u van Spanje?” Nederlanders en de Spaanse burgeroorlog, 1936-1939, Amsterdam 1985, 43-66, met name 44-52; Maarten Prak, ‘Buitenlandse Zaken: De SDAP en de Spaanse burgeroorlog, 1936-1939’, in: Jan Bank e.a. (red.), Het zesde jaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam, 1985, 148-71. ↩︎
- Louis de Visser en David Wijnkoop waren leden van de Tweede Kamer voor de CPN. ↩︎
- The Spanish Holocaust, p. 222. ↩︎
- Hendrik Henrichs, ‘Nederlanders en Franco’s kruistocht’, in: “Wat dunkt u van Spanje?” Nederlanders en de Spaanse burgeroorlog, 1936-1939, Amsterdam 1985, 27-42, aldaar 29. Maar vergelijk van dezelfde auteur Johan Brouwer. Zoeker, ziener en bezieler. Een biografie, Amsterdam 1989, 191: Vanaf eind 1936 “neigde [De Tijd] steeds sterker tot een gematigde pro-Franco opstelling.” ↩︎
- Zie Henrichs, De Gids 145, 1982, 87-89. ↩︎
- Zie voor dit solidariteitscomité: Jaap-Jan Flinterman, ‘De CPN en de solidariteitsbeweging met de Spaanse Republiek in Nederland (1936-1939)’, in: Cahiers over de geschiedenis van de CPN 10 (1985), 9-54. ↩︎
Lees ook deze verwante artikelen:




