door Yvonne Scholten
“Ik had als kind wel eens een foto van hem gezien. Die lag in een la in mijn oma’s huis. Op de Sportlaan in Den Haag, daar kwam ik als kind toen wij in Venlo woonden. Een mooie man, vond ik. En een spannende foto. Ik was wel benieuwd wat hij aan het doen was met dat ding in zijn handen. Ik had geen flauw idee wat het was of waar het voor diende. En ik wist ook niet dat die foto in Spanje was gemaakt. Mijn oma vertelde er niets over, zij sprak eigenlijk nooit over het verleden. Ze sprak Spaans, ook wel Nederlands en Catalaans. Ze had het altijd over de Supermercat, op zijn Catalaans, en daar moesten we als kinderen erg om lachen”.

Karla werd in 1979 geboren in Valencia, als kind woonde ze Spanje, vervolgens in Duitsland en Nederland en in Chili en nu woont ze opnieuw in Spanje. Voor haar waren al die verhuizingen normaal, haar vader werkte voor een groot internationaal bedrijf en haar moeder was Chileens. Vader en moeder hadden elkaar in de jaren ’70 in Spanje leren kennen.
Karla was dol op haar vader en diep ongelukkig toen hij precies op zijn 56ste verjaardag, op 25 maart 1994, overleed. Ze was pas dertien jaar en had nog niet de leeftijd om hem vragen te stellen. Bijvoorbeeld hoe het kwam dat hij in 1938 in Spanje, in het plaatsje Albacete, was geboren. Die vraag begon ze zich pas veel later te stellen.
Een half jaar na het overlijden van haar vader overlijdt ook haar oma Rosario, in oktober 1994. Haar oma was niet lang daarvoor, ernstig ziek en half blind, teruggegaan naar haar familie in Spanje.
Het verleden bleef voor Karla in nevelen gehuld. Pas twintig jaar later begint ze de zoektocht naar de geschiedenis van haar vader, haar opa en oma – ze woont dan in Chili en heeft weinig contact met Nederland maar internet heeft inmiddels zijn intrede gedaan en dat levert een grote verrassing op. Ze vindt de naam de Lathouder op de website spanjestrijders.nl en leest er het verhaal van haar opa:
Haar opa was de eerste Nederlander die naar Spanje vertrok, vlak na het begin van de Spaanse burgeroorlog. Die meteen gewond raakt en in het hospitaal van Lerida terecht komt waar hij maandenlang verzorgd wordt door de 26- jarige verpleegster Rosario Plana. Haar oma dus. De twee trouwen, maken in de zomer van ’37 een korte reis naar Nederland, gaan terug naar Spanje en Rosario blijkt in verwachting. Op 25 maart wordt Adrián Guillermo Cornelis de Lathouder Plana geboren, haar vader dus. Midden in de oorlog in het plaatsje Albacete, het hoofdkwartier van de Internationale Brigaden waar haar oma Rosario in het ziekenhuis werkt en haar opa Willy – zoals hij genoemd wordt – een baan heeft bij de persdienst. Drie maanden na de geboorte van haar vader sterft haar opa aan het front van de Ebro.

Karla wil er meer van weten en zo komt het contact tot stand tussen ons. Er ontstaat een uitgebreide correspondentie tussen de verschillende neven en nichten van de familie de Lathouder en zij bevestigen wat Karla al vermoedde: oma Rosario heeft nooit over haar Spaanse verleden gesproken. De klappen die zij in die oorlog en daarna in de Tweede Wereldoorlog heeft gekregen moeten te zwaar zijn geweest. Na 1945 moest zij alleen, met haar zoontje, een nieuw leven zien op te bouwen. Voor het verleden was geen plaats.
Rosario was er in 1938 na de dood van haar man in geslaagd met haar baby naar Nederland te gaan. Eind 1938 is ze in Den Haag, geholpen door de familie de Lathouder en vrienden van haar gesneuvelde man. Een van die vrienden is Evert Ruivenkamp. Ook hij is een spanjestrijder en in zijn Spaanse dagboek ( dat in 2019 werd gevonden en binnenkort wordt gepubliceerd) geeft hij een mooie beschrijving van de Lathouder :
Zo ik hem indertijd het kamp van Vila Seca binnen zag komen, zo zagen wij hem gisteren vertrekken. Met zijn rugzak om, zijn schapenpels aan en de wandelstok in zijn hand. Het geheel gecompleteerd door een slappe hoed van ondefinieerbare kleur en niet te schatten ouderdom.
Hij schrijft het op 26 mei 1938. Wil de Lathouder is vastbesloten zich bij de Hollandse compagnie “De zeven Provinciën” aan te sluiten. Het wordt zijn dood. Evert blijft aanvankelijk meer in het achterland en overleeft de slag aan de Ebro. Terug in Nederland ontfermt hij zich over Rosario en haar zoontje. In december 1940 trouwen ze. Maar direct na de Duitse bezetting vormt hij samen met andere Spanjestrijders een verzetsgroep. In oktober 1942 is hij betrokken bij een aanslag op een Haags bedrijf dat met de Duitsers collaboreert. De aanslag wordt bekend onder de naam “de brand in het Laakkwartier”. In februari 1943 wordt hij gearresteerd, gemarteld en in juni 1943 geëxecuteerd.
( formulier ten behoeve van het – nooit gepubliceerde – “Gedenkboek” van de CPN )

Rosario heeft in korte tijd haar beide mannen verloren. Ze zal nooit hertrouwen. Het grootste deel van haar leven woont ze op de Sportlaan in Den Haag waar ze een klein pension drijft.
De verhouding met haar enige zoon is niet altijd makkelijk. Later zwerft hij over de wereld en ziet ze hem en zijn kinderen weinig. Met haar vertrek naar Spanje op het eind van haar leven verdwijnen ook de brieven en foto’s die Karla zich herinnert uit de la in oma’s huis.

Karla’s Chileense moeder had een vrij goede band met Rosario. Ze spraken tenslotte dezelfde taal maar zagen elkaar zo weinig. Tegen de tijd dat Karla zich gaat interesseren voor de geschiedenis van haar oma en opa heeft haar moeder een zwaar ongeluk gehad en is er een flink gat gevallen in haar geheugen.
Twee jaar geleden verhuisden Karla en haar moeder naar Spanje. Ze vestigen zich in Murcia, in het zuiden van Spanje. De streek waar haar opa gesneuveld is, kent Karla niet.
In oktober van dit jaar besluiten we samen op zoek te gaan naar de plek waar haar opa is gesneuveld en waar Evert Ruivenkamp zijn Spaanse dagboek schreef. “Ik heb eigenlijk twee opa’s” zegt Karla “en zo voel ik het ook. En zo jammer dat ik ze nooit gekend heb”.
Evert Ruivenkamp vermeldt het in zijn dagboek:
Willy de Lathouder zal ik nooit meer zien. Theo vertelde dat hij bij de nabijheid van Gandesa is gevallen. De een zegt met een schot in het hoofd, de ander, met een schot in zijn buik. Hoe het zij, aan zijn leven is een eind. Het ergste is er wel zijn vrouw aan toe met een klein kindje dat nu bijna een half jaar moet zijn. Stuk voor stuk vallen zij. Wanneer is het mijn beurt?
De Theo waar hij het over heeft is de arts Theo van Reemst. Evert heeft diepe bewondering voor hem. Hij blijft met negenendertig graden koorts zijn werk doen in het geïmproviseerde hospitaaltje in de treintunnel bij het plaatsje Ascò. Het is niet de enige treintunnel die zo gebruikt wordt en er zijn noodhospitaaltjes ingericht in de grotten in de bergen: het zijn de enige plekken die nog wat bescherming bieden tegen de onophoudelijke bombardementen van Italiaanse en Duitse vliegtuigen.


Als kind wist ik al dat mijn familieverhaal een beetje anders was dan dat van de meeste kinderen. Mijn moeder was Chileense, mijn vader Nederlander en mijn zus en ik waren geboren in Valencia, Spanje. Niemand begreep daar iets van maar voor mij was het gewoon zo.
Ik vond het niet raar dat mijn vader perfect Spaans sprak, Nederlanders spreken best veel talen. Wij woonden in Limburg maar af en toe gingen we naar Den Haag, op bezoek bij mijn oma Rosario. Ik vond haar heel bijzonder, ze was blind en broodmager. Ze sprak een grappig soort Spaans dat ik niet altijd verstond (ik weet nu dat het Catalaans was). Ze was verpleegster geweest, net als mijn andere oma. Ze vond het heerlijk als we kwamen maar ze was geen knuffel oma, geen oma die je ’s avonds bij het slapen gaan een verhaaltje voorleest. Ze sprak nooit over het verleden en had vaak een trieste, vermoeide blik in haar ogen. Mijn vader was de enige die haar kon opvrolijken. En ik denk dat ze ook wel gelukkig was met haar twee kleindochters.
In de hal van haar grote huis vond ik eens in een ladekast foto’s en brieven. Ik denk dat ik een jaar of 7 was. Ik vond foto’s van een man die me op de een of andere manier bekend voor kwam. Een man met een lief gezicht. Ik weet niet meer of ik aan mijn oma of mijn moeder heb gevraagd wie hij was, maar zo hoorde ik dat het mijn opa Willy was. En dat hij dood was. Dat was alles. Ik wist iets meer van mijn oma’s tweede man, Evert Ruivenkamp. Rosario had goed contact met zijn familie, ze kwamen veel over de vloer en zorgden voor haar.
Mijn vader is op zijn 56ste verjaardag gestorven en een paar maanden later overleed Rosario ook. Mijn moeder wilde toen terug naar Chili en ik ging mee. Ik was vijftien. Ik had het gevoel dat ik alles kwijt raakte dat me met hem verbond.
Ik was dol op mijn vader, en heb alles van hem geleerd.

Ik maak een sprongetje vooruit in de tijd, naar 2018. Ik was nieuwsgierig geworden naar de Lathouders en kreeg contact met mijn neef Ludo. Hij weet heel veel van de familie geschiedenis en was heel behulpzaam. Ik begon op internet te zoeken en ontdekte zo dat de Lathouder iets te maken had met de Internationale Brigaden. Ik was verbijsterd. Ik kwam op de site spanjestrijders.nl. en daar stond een biografie van mijn opa. Daar las ik dat het hoofdkwartier van de Internationale Brigaden in Albacete was. Verrek, daar was mijn vader geboren! Ik wist alleen maar dat hij de Tweede Wereldoorlog in Holland had doorgebracht. Wat had dat met Spanje te maken? Ik begon te lezen en me in de geschiedenis te verdiepen. Ik las zijn overlijdens datum en begreep dat hij in de slag aan de Ebro was gesneuveld.
Langzaam aan drong tot me door dat mijn opa en oma elkaar in een ziekenhuis in Catalonië hadden leren kennen. Zij zorgde voor deze jonge, gewonde Hollandse vrijwilliger. In de verschrikkingen van de Spaanse Burgeroorlog ontmoetten twee mensen met een totaal verschillende achtergrond elkaar, werden verliefd, trouwen en kregen een kind. Ik begon de achtergrond van mijn vader te begrijpen, en dus ook iets meer van mijn eigen verhaal.
Het werd steeds belangrijker voor me om te weten waar hij was. Ik moest hem vinden. Ik moest zijn verhaal afmaken.
In 2019 verhuisde ik naar Spanje. In 2020 hoorde ik van Yvonne Scholten dat het Spaanse dagboek van Evert Ruivenkamp gevonden was en dat hij daar ook mijn opa in noemt. De emoties vlogen me aan.
We beginnen elkaar te mailen en te bellen en in oktober 2021 organiseren we een reis naar Catalonië. Op zoek naar de plek waar mijn opa sneuvelde en de plekken waar Evert over schrijft in zijn dagboek. Hoe die reis verliep, kunt U hierboven lezen.
Wat kan ik er aan toevoegen? Het reconstrueren van mijn familieverhaal heeft me rust gebracht. Ik heb vooral een veel helderder beeld gekregen van hun generatie. Ze waren zo jong. Mijn opa heeft één oorlog meegemaakt, Evert en Rosario twee. Dat is indrukwekkend. Ik ben er trots op dat ik deel uitmaak ( zelfs resultaat ben?) van dit dappere liefdesverhaal.
Dit verhaal werd eerder gepubliceerd op de site van de Stichting Spanje 1936 – 1939 op 21 december 2021.
Lees ook: https://www.spanje3639nu.nl/geschiedenis/ook-ik-lees-de-naam-van-mijn-opa/




