
door Jaap-Jan Flinterman
Ter inleiding
Deze bijdrage is een bewerking van een eerdere publicatie: J.J. Flinterman, ‘De CPN en de solidariteitsbeweging met de Spaanse republiek in Nederland (1936-1939)’, in: Cahiers over de geschiedenis van de CPN 10 (1985), 9-54. In dat artikel ging ik onder meer in op de totstandkoming, in de zomer van 1936, van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ en op de ontwikkeling die deze solidariteitsorganisatie in het eerste halfjaar van haar bestaan had doorgemaakt. De aan die onderwerpen gewijde paragrafen van het artikel heb ik enigszins geredigeerd en soms licht gereviseerd.
Toch is dit stuk meer dan een herhaling van zetten, want ik heb ook de resultaten van aanvullend onderzoek verwerkt. Toen ik ruim 40 jaar geleden het onderzoek voor het artikel deed, maakte ik hoofdzakelijk gebruik van gedrukte bronnen en interviews. Documentair bronnenmateriaal voor de geschiedenis van het Nederlandse communisme was niet of nauwelijks voor historisch onderzoek toegankelijk. Inmiddels is die situatie fundamenteel gewijzigd. Voor de periode vóór de Tweede Wereldoorlog is van belang dat de Stichting tot beheer van de archieven van de CPN de beschikking heeft gekregen over een aanzienlijke hoeveelheid documenten van en over de CPN uit het archief van de Communistische Internationale (Komintern). Deze documenten worden, op microfilm, bewaard op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam: de ‘Collection Komintern-CPH/CPN’.1 Wat van dit materiaal interessant leek voor mijn onderwerp heb ik in de zomer van 2026 geraadpleegd, en de resultaten daarvan zijn in deze herpublicatie verwerkt. Dat heeft niet tot een fundamentele wijziging van inzicht geleid, maar ik hoop dat het beeld dat ik nu van de totstandkoming en de eerste maanden van ‘Hulp aan Spanje’ kan geven, rijker en genuanceerder is.
Duits was de voertaal in de Komintern, en verreweg de meeste documenten zijn in die taal gesteld. Niet alleen primair voor de Komintern bedoelde stukken als rapporten, maar ook de notulen van bijvoorbeeld vergaderingen van het Politiek Bureau van de CPN werden, ten behoeve van de Kominternleiding, in het Duits opgesteld of vertaald. Citaten uit dit materiaal heb ik onvertaald gelaten. Lezers wier kennis van het Duits wat sleets is, weten ongetwijfeld de weg naar vertaalsoftware te vinden.
Een internationale conferentie in Parijs
Medio augustus 1936 vond in Parijs een internationale conferentie voor hulp aan het republikeinse Spanje plaats. Initiatiefnemers waren het Franse vakverbond (CGT), het Wereldcomité tegen oorlog en fascisme (‘Comité mondial contre la guerre et le fascisme’) en een aantal parlementariërs van bij het Franse volksfront aangesloten partijen. Volgens het communistische dagblad De Tribune waren op deze conferentie, naast vooraanstaande persoonlijkheden uit het intellectuele leven, leidende figuren uit de Socialistische Arbeiders Internationale, het Internationaal Verbond van Vakverenigingen, West-Europese communistische partijen en burgerlijke en democratische organisaties bijeen. Besloten werd tot vorming van een ‘Comité international de coordination et d’information pour l’aide à l’Espagne républicaine’. Een vervolgconferentie vond plaats op 10 en 11 oktober, eveneens in Parijs.2
In de daaropvolgende maanden kwam het in tientallen landen over de hele wereld tot de oprichting van nationale afdelingen van dit comité. Zowel het internationale comité als de nationale vertakkingen bestonden uit niet-communistische persoonlijkheden die bereid waren hun naam en faam te verbinden met de zaak van het republikeinse Spanje. In de organisatie van het concrete solidariteitswerk speelden over het algemeen communisten of mensen die dicht bij de communistische partij stonden, een centrale rol.3
Voorzitters van het internationale comité waren de kunsthistoricus Victor Basch (1863-1944) en de fysicus Paul Langevin (1872-1946). Victor Basch was tevens voorzitter van de ‘Ligue des Droits de l’Homme’ – een organisatie waarbinnen in deze periode sympathisanten van de Franse communistische partij en de Sovjet-Unie de toon aangaven. Paul Langevin was een van de initiatiefnemers en sinds 1935 voorzitter van het Wereldcomité tegen oorlog en fascisme. Basch en Langevin hadden zich beide verdienstelijk gemaakt bij de totstandkoming van het Franse volksfront, dat in het voorjaar van 1936 de verkiezingen had gewonnen. Het secretariaat was eveneens in handen van een Française, Madeleine Braun (1907-1980). Ook zij vervulde een leidende rol in het Wereldcomité tegen oorlog en fascisme, de organisatie die mede het initiatief had genomen tot de conferentie medio augustus in Parijs.

Foto Basch: Gilbert René
Foto Langevin: Henri Manuel (Wellcome Collection)
De personele unies tussen het ‘Comité international de coordination et d’information’ en het Wereldcomité tegen oorlog en fascisme waren geen toeval. Niet alleen had het Wereldcomité tegen oorlog en fascisme aan de wieg gestaan van het internationale comité voor hulp aan Spanje, ook qua opzet vertoonden beide comités sterke overeenkomsten. Niet-partijgebonden persoonlijkheden uit het artistieke en intellectuele leven waren gezichtsbepalend en verleenden aantrekkingskracht en respectabiliteit aan de zaak waarvoor men zich inzette. Die zaak viel samen met een deel van de politiek van de internationale communistische beweging, maar doordat men zich tot een deelaspect beperkte, konden ook niet-communisten hun adhesie betuigen en deelnemen zonder dat zij zich hoefden te identificeren met de communistische beweging. Het was het organisatiemodel dat de voorafgaande jaren met succes in praktijk was gebracht door de Duitse communist Willi Münzenberg. Het Wereldcomité tegen oorlog en fascisme gold als een van zijn meest geslaagde initiatieven.4

Foto: Files of the Gesamtverband deutscher antikommunistischer Vereinigungen, Hoover Institution Archives, Stanford, California
Vanaf de zomer van 1936 werd dit organisatiemodel ingezet om sympathie en hulp voor de Spaanse Republiek te genereren. De Commissie ‘Hulp aan Spanje’, die zich in de nazomer van 1936 begon te manifesteren, was de Nederlandse tak van het ‘Comité international de coordination et d’information’. In deze bijdrage proberen we in kaart te brengen hoe deze solidariteitsorganisatie tot stand kwam en welke activiteiten zij gedurende de eerste maanden van haar bestaan ontwikkelde.
Nederlandse sociaaldemocraten en communisten en de Spaanse Burgeroorlog
Om de ontstaanscontext van ‘Hulp aan Spanje’ te begrijpen moeten we eerst bekijken hoe de twee belangrijkste partijen van de Nederlandse arbeidersbeweging – de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de Communistische Partij van Nederland (CPN) – op de gebeurtenissen in Spanje reageerden. De SDAP had in 1936 22 van de 100 zetels die de Tweede Kamer destijds telde, de CPN 4. Beide partijen bevonden zich in een proces van politieke heroriëntatie.
Kenmerkend voor de opstelling van de CPN in de jaren ’30 was volledige volgzaamheid ten opzichte van de politiek van de Communistische Internationale (Komintern), die op haar beurt trouw de directieven van de Sovjetleiding volgde. Het kwam dan ook niet als een verrassing dat de Nederlandse communisten op hun congres van eind 1935 kozen voor wat sinds de zomer van 1935 de officiële lijn van de Komintern was: de politiek van eenheids- en volksfront. Gestreefd werd naar het aangaan van een politieke overeenkomst met de sociaaldemocratie (het eenheidsfront) als basis voor een volksfront met deelname van werkende boeren, middenstanders en intellectuelen. Doel van deze politiek was het stuiten van de opkomst van het fascisme, in Nederland vooral belichaamd door de NSB, en het bieden van een alternatief voor kapitalistische crisispolitiek, zoals in Nederland ten uitvoer gelegd door de regering Colijn. Met de politiek van eenheids- en volksfront onafscheidelijk verbonden was het streven naar collectieve veiligheid op het terrein van de buitenlandse politiek. In de visie van de CPN zou Nederland, in en buiten de Volkenbond, moeten samenwerken met alle landen, in het bijzonder de Sovjet-Unie, die bereid waren fascistische agressie, waar deze zich ook voordeed, met doeltreffende maatregelen tegemoet te treden.5
De SDAP wees de communistische toenaderingspogingen consequent van de hand; binnen de SAI was de SDAP een van de meest uitgesproken tegenstanders van samenwerking met communisten. Men kan dit niet los zien van de politieke verhoudingen in Nederland: de hegemonie van de christelijke partijen in de vaderlandse politiek leverde in combinatie met de geringe betekenis van de CPN als machtsfactor een situatie op waarin samenwerking met de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) het enige reële perspectief op sociaaldemocratische regeringsdeelname bood.6 Maar het was ook precies in deze jaren dat de SDAP zich steeds sterker begon te afficheren als kampioen van de parlementaire democratie en vanuit deze positie principieel stelling nam tegen fascisme én communisme.7 Communistische avances waren zo eigenlijk op voorhand tot mislukken gedoemd. De totale identificatie van de CPN met de Sovjet-Unie was natuurlijk ook niet bevorderlijk voor het slechten van de obstakels voor een antifascistische eenheidspolitiek. De stalinistische showprocessen in de jaren ’36-’38 werden in de communistische pers afgeschilderd als aansporing tot en voorbeeld van antifascistische waakzaamheid.8
De visies van de Nederlandse sociaaldemocraten en communisten op het karakter van de Spaanse Burgeroorlog vertoonden grote overeenkomsten. Beide partijen beschouwden het conflict als een strijd tussen democratie en fascisme.9 Daar stond tegenover dat de SDAP aan de gebeurtenissen in Spanje een veel geringer betekenis voor Nederland toekende dan de CPN. Voor de SDAP, strevend naar regeringssamenwerking met de RKSP, was het volstrekt niet opportuun van de Spaanse kwestie een strijdpunt te maken in de Nederlandse politiek. Katholiek Nederland koos namelijk in overgrote meerderheid positie tegen de Spaanse Republiek en de katholieke pers sloeg de sociaaldemocratie om de oren met de antiklerikale excessen die zich in de eerste maanden van de burgeroorlog in de republikeinse zone voordeden.10
Om de katholieken niet voor het hoofd te stoten legden de sociaal-democraten grote terughoudendheid aan de dag bij het ontplooien van daadwerkelijke solidariteit met de Spaanse republiek. In de loop van de burgeroorlog brachten de SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) 330.000 gulden bijeen voor hulp aan het Spaanse volk. Geen gering bedrag, maar gezien de organisatorische mogelijkheden waarover men beschikte evenmin opzienbarend. Een deel bestond uit rechtstreekse giften uit kassen van het NVV en aangesloten bonden. Het meeste geld werd echter ingezameld door een comité van SDAP en NVV, dat in de zomermaanden van 1937 – dat wil zeggen na de verkiezingen voor de Tweede Kamer in mei van dat jaar – en in de tweede helft van 1938 een financiële campagne organiseerde voor de huisvesting van Spaanse kinderen in Frankrijk, een hulpobject waaraan men zich geen binnenlandspolitieke builen kon vallen. Intussen werd leden van de moderne arbeidersbeweging ontraden hun medewerking te verlenen aan hulpacties van andere organisaties. Dit werd voornamelijk ingegeven door de vrees dat de CPN erin zou slagen in het kader van solidariteitsacties met het Spaanse volk aansluiting te vinden bij sociaaldemocraten. Ook binnen de SDAP was niet iedereen tevreden met de omvang van de door de eigen organisaties ontwikkelde initiatieven. Deze onvrede werd uitgesproken, zowel in de SDAP als in het NVV, maar resulteerde niet in een werkelijke oppositie tegen de terughoudende opstelling van de leiding van partij en vakverbond. Opvallend is dat degenen die kritiek leverden op het beleid van het partijbestuur op dit punt – bij voorbeeld op het SDAP-congres van februari 1937 –, het argument aanvoerden dat men de communisten de gelegenheid bood zich van de acties meester te maken. Van een groeiende eenheidsstemming in de sociaaldemocratische gelederen was dus althans weinig merkbaar.11
Samenwerking tussen communisten en sociaaldemocraten in solidariteitsacties met de Spaanse Republiek was natuurlijk precies waarop de Nederlandse communisten hoopten. Voor dit doel was men zelfs bereid zelfstandig optreden op te geven. In De Tribune van 4 augustus 1936 verscheen een oproep van het partijbestuur van de CPN om, zodra SDAP en NVV een steuncampagne voor het Spaanse volk zouden starten, daaraan medewerking te verlenen. Wel hield men rekening met de mogelijkheid dat het even kon duren voordat SDAP en NVV tot daadwerkelijke solidariteitsacties overgingen: “Zolang de steuncampagne van SDAP-NVV nog niet is ingezet, wekken wij op om de steunactie der Rode Hulp te versterken, ook in die kringen, die door een steuncampagne van SDAP-NVV niet worden bereikt.”12 De Nederlandse Rode Hulp (NRH) was de Nederlandse sectie van de in 1922 door de Komintern in het leven geroepen Internationale Rode Hulp (IRH), een organisatie die zich bezighield met het ontplooien van solidariteit met slachtoffers van reactionaire politieke vervolging.13 Sinds 1933 lag de hoofdtaak van de NRH op het terrein van de opvang en verzorging van Duitse vluchtelingen. Daar kwam Spanje nu dus bij.
Zoals we gezien hebben, zou de campagne van SDAP en NVV nog bijna een jaar op zich laten wachten. De solidariteitsactie van de NRH, die al voor eind juli 1936 van start was gegaan, zou dat najaar uitgroeien tot de grootste campagne uit de geschiedenis van de organisatie.14 Dat was heel mooi, maar het bracht het eensgezinde optreden waarop men had gehoopt, geen stap dichterbij. In de tussentijd was men binnen de CPN begonnen na te denken over andere wegen om tot verbreding van de solidariteitsacties voor de Spaanse Republiek te komen. Hier bood de Parijse conferentie van medio augustus, waarmee we deze bijdrage zijn begonnen, een aangrijpingspunt.
De Commissie ‘Hulp aan Spanje’: de eerste levenstekenen
Maandag 31 augustus 1936 verscheen in het communistische dagblad De Tribune het volgende bericht: “Men meldt ons: de 13e augustus jl. is in een Internationale bijeenkomst te Parijs een commissie tot stand gekomen waarin tal van bekende persoonlijkheden zitting hebben genomen. (…) Deze commissie stelt zich ten doel: a. De Spaanse regering geneeskundige hulp te verschaffen en andere landen te bewegen tot het verlenen van die hulp, waarom de Spaanse regering per radio gevraagd heeft. b. Door het verkrijgen van officiële juiste inlichtingen, de pers en het publiek van goede berichten te voorzien. In aansluiting daaraan hebben zich te Amsterdam enkelen verenigd met Prof. Dr. Marius Valkhoff als voorzitter en Dr. J. Schrijver, Paulus Potterstraat 42 als secretaris-penningmeester. Adhesiebetuigingen worden gaarne ingewacht bij het secretariaat om ook hier te komen tot een commissie, die gelden zal verzamelen o.a. om, zoals dat bereids van Engeland uit geschied is, artsen, verplegend personeel en medicamenten naar Spanje te zenden.”
Later die week, op donderdag 3 september, verscheen hetzelfde bericht in Het Volk, de sociaal-democratische krant. En op vrijdag 11 september plaatste de Nieuwe Rotterdamsche Courant een oproep van de Commissie voor medisch-humanitaire hulp aan de Spaanse regering: ”Daarom doen wij een dringend beroep op U, ons gelden toe te zenden, die ons in staat zullen stellen (…) hulp te verlenen; een beroep op artsen, verpleegsters en verplegers, zich persoonlijk beschikbaar te stellen.” De oproep was opnieuw ondertekend door Valkhoff en Schrijver. Deze berichten in de dagbladpers waren de eerste levenstekenen van wat de daaropvolgende jaren zou uitgroeien tot de meest actieve organisatie in Nederland voor solidariteit met de Spaanse Republiek: de Commissie ‘Hulp aan Spanje’.

Foto: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld, Amsterdam 1938
Marius Valkhoff (1905-1980) was sinds 1933 buitengewoon hoogleraar Romaanse Taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Joachim Schrijver (1871-1951), zoon van een joodse diamantbewerker, was arts, actief in de Nederlandsche Vereniging der wetenschappelijke grafologie en schrijver van een leerboek over deze discipline (1934). Voor zover na te gaan, was hij politiek een onbeschreven blad. Valkhoff was in 1934 redactielid geweest van Kentering, het orgaan van de Bond van Sociaal-Democratische Studenten Clubs; in de loop van de jaren ’30 legde hij daarnaast een actieve interesse voor de Groot-Nederlandse gedachte aan de dag. Het waren geen namen die bij de Centrale Inlichtingendienst (CI), de vooroorlogse voorloper van de AIVD, alarmbellen deden afgaan.15
In haar eerste brochure, die in de loop van oktober verscheen, presenteerde de Commissie zich dan ook als opgericht door ‘enige onpolitieke personen’. De doelgroep bestond overigens wel degelijk uit mensen die met het Spaanse volksfrontregering sympathiseerden, maar dan diegenen onder hen die zich minder voelden aangesproken door communistische of sociaaldemocratische hulpacties en “wier sympathie meer uitgaat naar de rechtervleugel van het ‘Frente popular’, welke vleugel te vergelijken is met onze vrijzinnig democraten.”16

Een initiatief, gedragen door twee personen zonder een voorgeschiedenis die verdenking kon wekken. Partijpolitieke ongebondenheid als handelsmerk en mensen van progressief-burgerlijke signatuur als voornaamste doelgroep. Hoe was dit initiatief tot stand gekomen?
Valkhoff en Schrijver maakten in de vroegste publicaties van de Commissie melding van het feit dat zij met de oprichting van ‘Hulp aan Spanje’ aansluiting zochten bij het Parijse initiatief. Zelf waren zij overigens niet aanwezig geweest bij de oprichting van het internationale comité, en ze vermeldden ook niet welke Nederlanders op 13 augustus de Parijse conferentie wél hadden bijgewoond. Dat waren CPN-voorzitter Ko Beuzemaker (die natuurlijk onmogelijk als een ‘onpolitiek persoon’ kon worden gepresenteerd), Selma Meyer en Nathan Nathans. Laatstgenoemde, secretaris van de sectie spoorwegpersoneel van de International Transport Workers’ Federation (ITF), hield na zijn terugkeer in Nederland in een interview met Het Volk een pleidooi voor morele en materiële steun aan de Spaanse republiek.17 Als vertegenwoordiger van de ITF bezocht hij in de nazomer van 1936 Spanje. In 1937 zou hij actief deelnemen aan de voorbereidingen voor de steuncampagne van SDAP en NVV voor Spaanse kinderen. In juli van dat jaar, in verband met deze zaak op weg naar Parijs, kwam hij om het leven bij een vliegtuigongeluk. Voor zover mij bekend was hij niet betrokken bij de oprichting van ‘Hulp aan Spanje’.18
Selma Meyer en het Wuppertalcomité
Hoogstwaarschijnlijk speelde daarbij Selma Meyer (1890-1941) wel een rol.19 Ze was eigenaar van en gaf leiding aan het Holland Typing Office in Amsterdam, een bedrijf met enkele tientallen medewerksters, dat allerlei vormen van zakelijke dienstverlening als typewerkzaamheden, kopieer- en vertaalwerk en stenografie aanbood en ook als uitzendbureau voor kantoorpersoneel fungeerde. Sinds 1923 was ze actief in de Internationale Vrouwenbond voor Vrede en Vrijheid, en ze maakte als secretaris deel uit van het hoofdbestuur van de Nederlandse afdeling van deze pacifistische organisatie. Rond 1930 was ze lid geworden van de SDAP; in 1936 verliet ze de partij.20 Al voor het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog had ze door haar medewerking aan verschillende comités laten zien dat ze bereid was zich in te zetten voor antifascistische samenwerking tussen sociaaldemocraten, communisten en democraten zonder partijpolitieke binding.

Foto: Digitaal vrouwenlexicon
Een van die comités was het Centrale Wuppertalcomité, dat kan worden beschouwd als een voorloper van ‘Hulp aan Spanje’. Het initiatief tot de oprichting was uitgegaan van de Abschnittsleitung West van de Duitse communistische partij en van de Duitse Rode Hulp. Het comité richtte zich op de ondersteuning van arbeiders uit de omgeving van Wuppertal, die gearresteerd waren wegens het vormen van illegale vakbondsgroepen en rond de jaarwisseling 1935/36 voor nazi-rechtbanken moesten verschijnen. Selma Meyer bekleedde het voorzitterschap, vicevoorzitter was de predikant Nico Padt (1886-1967), vooraanstaand lid van de christelijke antimilitaristische vereniging Kerk en Vrede, terwijl Lie Heijnen (1909-1990) zich met het publiciteitswerk bezighield.21 De CI beschouwde het Wuppertalcomité aanvankelijk als een “’planeet’ van Moskou” en een “nevenorganisatie” van de Internationale Rode Hulp.22 Dit lijkt een miskenning van de vrij brede ondersteuning die het comité had weten te verwerven onder niet-partijgebonden personen, die nauwelijks allemaal als slachtoffers van communistische misleiding kunnen worden afgeschilderd.23 Maar het is waar dat achter de schermen Duitse communistische vluchtelingen de strategie en activiteiten van het comité bepaalden. De rol van Selma Meyer wordt door haar biograaf Bart de Cort aangeduid als “schakel tussen degenen achter en voor de schermen”; ze moet volledig op de hoogte zijn geweest van de communistische inbreng in het comité. 24 In deze jaren was zij kennelijk gegrepen door de volksfrontgedachte en overtuigd van de positieve rol die communisten bij het tot stand brengen van antifascistische eenheid konden spelen. Toen de Komintern-functionaris Kellermann in december 1936 het verkiezingscongres van de CPN in Amsterdam bijwoonde, werd hij in contact gebracht met Selma Meyer, die hem als linkse sociaaldemocraat meer zou kunnen vertellen over de intenties van de sociaaldemocratische leiders Albarda en Vorrink. En in zijn uitvoerige rapport maakt hij ook melding van communistische pogingen om ‘über Selma Meyer mit dem Internationalen Sekretär der Eisenbahner Nathans, der ein Holländer ist, Verbindung auf [zu nehmen]’.25
Een communistisch initiatief
De vraag wat zich in augustus 1936 rond de totstandkoming van de Commissie precies heeft afgespeeld, kan niet met zekerheid worden beantwoord. Om vermoedens te formuleren moeten we te rade gaan bij de herinneringen van twee betrokkenen, die ik rond 1980 heb gesproken: Jacobus Johannes (Co) Dankaart (1912-1991), destijds gemeentearbeider in dienst van de gemeente Amsterdam, en Geertruida Johanna (Truus) van Boxtel (1907-1991), administratief medewerkster. Beide waren lid van de CPN, beide werden in een vroeg stadium (nazomer/najaar 1936) actief in ‘Hulp aan Spanje’.26 De door hen verschafte informatie kunnen we dan weer combineren met gegevens uit schriftelijke bronnen. Dankaart en Van Boxtel twijfelden er niet aan dat ‘Hulp aan Spanje’ een communistisch initiatief was. En inderdaad besloot het Politiek Bureau van de CPN al op 31 juli dat “[e]ine Intellektuellen-Kommission (…) auf breitere Grundlage die Hilfsbewegung organisieren [sollte].” 27 Maar hoe had men aan dit voornemen uitvoering gegeven?

Foto: Verzetsmuseum
Dankaart en Van Boxtel vertelden allebei dat Selma Meyer niet alleen over een uitgebreid internationaal netwerk beschikte, maar dat zij ook regelmatig contact had met de partijleiding van de CPN in de persoon van Anton Struik. Zoals we hierboven hebben gezien, probeerde de CPN via Selma Meyer contacten te leggen met politiek andersdenkenden. Dankaart herinnerde zich dat hij in de nazomer van Anton Struik de opdracht kreeg om actief te worden voor ‘Hulp aan Spanje’, en ook Truus van Boxtel overlegde in verband met haar activiteiten voor ‘Hulp aan Spanje’ regelmatig met Struik. Struik coördineerde vanuit de partijleiding van de CPN de inspanningen van communisten voor de vorming van antifascistische samenwerkingsverbanden met politiek andersgezinden.28
Het ligt voor de hand te vermoeden dat Selma Meyer waarschijnlijk reeds voor en in elk geval na de conferentie in Parijs met één of meerdere communisten heeft overlegd over de vraag bij welke concrete stappen de solidariteitsbeweging met de Spaanse Republiek in Nederland het meest gebaat zou zijn. De CPN-leiding had op dat tijdstip de hoop op een spoedig begin van een steuncampagne van SDAP en NVV nog niet volledig opgegeven. Omdat men wilde proberen bij die campagne aansluiting te krijgen, was het opzetten van een organisatie waaraan sociaaldemocraten op persoonlijke titel zouden deelnemen op dat tijdstip niet urgent en misschien zelfs minder wenselijk. Zowel politiek gezien als met het oog op de mogelijke financiële resultaten was het echter wel interessant om in progressief-burgerlijke kring steun voor de Spaanse Republiek te mobiliseren. Een bijkomend voordeel van een voor dit doel op te richten comité zonder partijpolitieke binding zou zijn dat het communisten die zich in hun werkomgeving niet of moeilijk als zodanig konden profileren (bij voorbeeld mensen in overheidsdienst),29 in staat zou stellen op te treden voor solidariteit met de Spaanse republiek. Ik vermoed dat overwegingen van deze aard de CPN-leiding er in de zomer van 1936 toe hebben doen besluiten het initiatief te nemen tot de oprichting van een niet-partijgebonden hulporganisatie van progressief-burgerlijke signatuur. Gezien de opstelling van SDAP en NVV kon men trouwens niet veel anders als men buiten de eigen Rode Hulp-vijver wilde vissen.
Volgens Dankaart was het de communiste Wilhelmina Henriëtte (Jet) Adrian (1884-1942), die met een dergelijk plan mensen ging benaderen en Valkhoff en Schrijver bereid vond respectievelijk het voorzitterschap en het secretariaat van de Commissie op zich te nemen. Zij behoorde tot de kring van medewerkers van de Marxistische Arbeidersschool, het scholingsinstituut van de CPN, en had veel contacten onder intellectuelen die mogelijkerwijs voor ‘Hulp aan Spanje’ geïnteresseerd konden worden. Op het eerste ‘kantoor’ van de Commissie, dat op het huisadres van Schrijver aan de Paulus Potterstraat gevestigd was, deed zij administratief en organisatorisch werk. Daar trof Dankaart haar toen hij zich in de nazomer of het vroege najaar van 1936 bij de Commissie meldde.30

NRH-bronnen suggereren dat ook vanuit deze hoek geprobeerd was een breed comité van de grond te krijgen, wat met de nodige moeilijkheden gepaard was gegaan. Eerst had men geprobeerd het Comité van Waakzaamheid in te schakelen, maar dat gaf niet thuis. “Wir mussten daher neue Menschen suchen, was durch die Ferien ausserordentlich erschwert wurde. Nachdem sich schliesslich einige Professoren und Ärzte bereit erklärt hatten, einen Aufruf zur Unterstützung und medizinischen Hilfeleistung zu veröffentlichen, entstanden wieder Gegensätze bei diesen Leuten, wodurch die Veröffentlichung verzögert wurde und am 25. August noch nicht stattgefunden hatte.”31 Het rapport was kennelijk afgerond vóór 31 augustus, toen de eerste oproep van Valkhoff en Schrijver was verschenen.32 Hoe de sonderingen vanuit de NRH zich verhielden tot de activiteiten van Jet Adrian valt niet te zeggen, maar ze versterken de indruk dat communisten zich in augustus 1936 het vuur uit de sloffen liepen om iets breeds van de grond te krijgen.
De gang van zaken rond de oprichting van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ kan niet met volstrekte zekerheid gereconstrueerd worden. Op basis van het bovenstaande – een combinatie van feiten en op feiten gebaseerde gissingen – denk ik dat het althans zeer waarschijnlijk is dat het initiatief tot de oprichting van de CPN is uitgegaan. Het feit dat de doelgroep van de Commissie aanvankelijk beperkt was, is, zoals wij geconstateerd hebben, met deze stelling niet in strijd. In de berichtgeving in Het Volksdagblad over de activiteiten van de Commissie werd aan haar aanvankelijke karakter nog geruime tijd vastgehouden. Nog in juli 1937 situeerde de communistische krant ‘Hulp aan Spanje’ in ‘andere kringen’, dat wil zeggen buiten de arbeidersbeweging.33 Op dat tijdstip hadden zich echter in de Commissie al aanzienlijke veranderingen van politieke en organisatorische aard voltrokken. De eerste landelijke conferentie, die in februari 1937 plaatsvond, betekende een mijlpaal in dat veranderingsproces.
Van notabelencomité tot massaorganisatie in spe
Valkhoff en Schrijver boekten een eerste succes, toen in oktober 1936 vijf verpleegkundigen en de communistische arts Gerrit Kastein (1910-1943) namens de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ naar de republiek afreisden. Zij waren de eersten van in het totaal 28 personen die door de Commissie in de loop van haar bestaan uitgezonden werden om hun medische kennis en vaardigheden in dienst te stellen van het Spaanse volk.34 Oproepen om steun van ‘Hulp aan Spanje’ gingen vergezeld van propagandistische activiteit. De eerdergenoemde brochure werd nog voor de jaarwisseling gevolgd door een tweede,35 en de Commissie organiseerde in de onderhavige periode verschillende openbare vergaderingen waar onder meer gesproken werd door mr. N.A. (Klaas) Stempels (1907-1943), hoofdbestuurslid van de Liberale Staatspartij, en ds. Padt, die wij hierboven zijn tegengekomen als vicevoorzitter van het Wuppertal-comité. Stempels en Padt brachten in november een bezoek aan de republiek en deden van hun bevindingen onder andere verslag op een openbare vergadering in het Amsterdamse concertgebouw. Andere sprekers op deze vergadering waren Willem van Ravesteijn (1876-1970) – de voormalige CPN-voorman, inmiddels weer lid van de SDAP – en de katholieke pacifiste Elisabeth Maria (Betsy) Bulsing-van Besouw (1878-1948).36 Ook haalde de Commissie de pro-republikeinse priester Leocadio Lobo (1887-1959) naar Nederland om enig tegenwicht te bieden aan de berichtgeving over het Spaanse conflict in de katholieke pers.37
Vooral op het terrein van publiciteit en propaganda legde ‘Hulp aan Spanje’ dus reeds in het najaar en de vroege winter van 1936 de nodige activiteit aan de dag. Ook werd de landelijke commissie versterkt door de toetreding van de hoogleraren B. Becker (1885-1968) en A.G. van Kranendonk (1884-1957) en de privaatdocent J.B. Tielrooy (1886-1953). Van een organisatie met vertakkingen door het gehele land die in staat geacht mocht worden een krachtige steuncampagne te voeren, was echter nog geen sprake. Wel werden pogingen in het werk gesteld om in deze situatie verandering te brengen. Van de zijde van de NRH keek men met enige verbazing naar het functioneren van zo’n politiek pluriform comité (“In der Leitung der Commission entstehen andauernd Schwierigkeiten, wodurch die Ausbreitung der Kampagne gehindert wird”), maar men moest toegeven dat er toch wel wat van de grond kwam: “In den hinter uns liegenden Monaten hat die Commission jedoch sehr nützliche Arbeit verrichtet.” De NRH probeerde ‘Hulp aan Spanje’ niet voor de voeten te lopen: van formele samenwerking was geen sprake. Wel probeerde de Rode Hulp de Commissie waar mogelijk te ondersteunen.38 Zo werd voor de inzameling en opslag van hulpgoederen in het najaar een winkelruimte in De Galerij in Amsterdam gehuurd. Volgens Dankaart werd deze bemand door twee activisten van de NRH.39 Dankaart zelf legde zich toe op de steuninzameling op zijn eigen bedrijf en in Amsterdam-Oost. Mede door zijn activiteiten begon het solidariteitswerk van ‘Hulp aan Spanje’ groepen te bereiken die voorheen buiten het gezichtsveld van de Commissie waren gebleven.

Foto: W. Fortuin, IISG
Helemaal van zelf ging de verbreding van het solidariteitswerk die de partijleiding voor ogen stond, niet: ook onder de eigen aanhang moesten weerstanden worden overwonnen. Binnen de NRH, zo constateerde een ‘Organisations-Bericht’ over 1936, was er sprake “eine Unterschätzung der Bedeutung und der Möglichkeiten einer breiten Hilfsbewegung.’ Te vaak beschouwden leden én kaderleden brede comités nog als “Manöver (…), als Kulissen hinter denen ‘wir’ uns verbergen.” Een “sektarischer Organisations-Egoismus” zag in alles wat zich naast de Rode Hulp ontwikkelde niet meer dan een mogelijkheid om de eigen organisatie te versterken. Een dergelijk “Organisations-Chauvinismus” verdiende energieke bestrijding. Vernieuwing van het kader was daarbij onvermijdelijk.40
Inmiddels bereisde Jet Adrian als propagandiste van de Commissie het land. Haar taak bestond uit het stimuleren van de oprichting van lokale afdelingen – die subcommissies werden genoemd – en het onderhouden van contacten daarmee.41 Het lijkt mij waarschijnlijk dat zij daarbij gebruik kon maken van de steun van de Nederlandse afdeling van het Wereld-Vrouwen-Comité tegen oorlog en fascisme (WVC). Deze organisatie, die politiek zeer dicht bij de CPN stond en waarin veel communistes actief waren, riep haar leden vrijwel vanaf de oprichting van ‘Hulp aan Spanje’ op om het werk van de Commissie te ondersteunen.42 Het WVC had afdelingen in verschillende plaatsen in het land en bood dus mogelijkheden om de geografische verbreding van het werk van ‘Hulp aan Spanje’ ter hand te nemen. Lie Heijnen, de voorzitster van het WVC, eerder ook actief in het Wuppertal-comité, zou in de volgende jaren dikwijls het woord voeren op vergaderingen van de Commissie en tweemaal als lid van een delegatie van ‘Hulp aan Spanje’ de republiek bezoeken.43
Ook Selma Meyer zelf bleef bij het werk van ‘Hulp aan Spanje’ betrokken.44 Het Holland Typing Office op het Damrak te Amsterdam waarvan zij directrice was, vormde in deze maanden naast het woonhuis van Schrijver en de winkelruimte aan De Galerij een centrum van activiteiten voor de Commissie. Zo meldde de juist afgestudeerde arts Theo van Reemst (1908-1980), die rond de jaarwisseling Gerrit Kastein als leider van de groep medisch personeel in Spanje afloste, zich op dit adres voor uitzending naar Spanje.45 Truus van Boxtel, formeel in dienst van het Holland Typing Office, werkte nauw samen met Selma Meyer. Deze samenwerking resulteerde onder meer in de totstandkoming van een Spaans persagentschap, dat via Parijs doorkomende berichten van republikeinse zijde aan de Nederlandse kranten doorgaf.46 Het Spaanse persagentschap in Amsterdam moet het Nederlandse filiaal zijn geweest van ‘Agence Espagne’ in Parijs, opgezet door Willi Münzenberg en Álvarez del Vayo, minister van buitenlandse zaken van de Republiek, en geleid door de Komintern-operator Otto Katz (alias André Simone).47 Kennelijk had Selma Meyer een eigen verbinding met Willi Münzenberg en diens entourage.48
Terwijl langs verschillende wegen gewerkt werd aan een versterking van de organisatie van ‘Hulp aan Spanje’, voltrok zich tevens een verschuiving in het karakter van de Commissie. Dit hing samen met het uitblijven van een steuncampagne van SDAP en NVV, waardoor de aanvankelijk door de CPN-leiding gekoesterde verwachtingen in rook opgingen. Nu het niet mogelijk bleek aansluiting te zoeken bij een door de sociaaldemocratie geïnitieerde steuncampagne, werd het interessant om sociaaldemocraten op persoonlijke titel bij solidariteitsacties te betrekken. Het was duidelijk dat de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ hiertoe betere mogelijkheden bood dan de NRH. Waarschijnlijk was het Selma Meyer die op dit vlak voor een doorbraak zorgde door Salomon (Sam) de Wolff (1878-1960) te bewegen tot het verlenen van zijn medewerking. De Wolff, die van 1909 tot 1913 lid was geweest van de SDP, de voorloper van de CPN, maar daarna was teruggekeerd in de SDAP, stond binnen zijn partij uitgesproken links. Hij was een van de weinige voorstanders binnen de Nederlandse sociaaldemocratie van samenwerking met communisten. Reeds in de nazomer van 1936 pleitte hij bij het partijbestuur van de SDAP voor een krachtiger aanpak van de solidariteit met de Spaanse republiek. Binnen zijn partij beschikte hij over talrijke contacten die de oprichting van subcommissies met medewerking van sociaaldemocraten in hoge mate vereenvoudigden.49

Maria Rompelman, 1953
Joods Museum
Reeds begin 1937 kon geconstateerd worden dat de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ op weg was een van de meest succesvolle samenwerkingsverbanden met politiek andersdenkenden te worden. Evenzeer was echter duidelijk dat het om samenwerking op persoonlijke titel ging. De SDAP wees een uitnodiging tot het bijwonen van een door het ‘Comité de coordination et d’information’ georganiseerde internationale hulpconferentie van de hand. Uit Nederland waren op deze conferentie, die in januari werd gehouden, vertegenwoordigers van de NRH, het WVC en de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ aanwezig.50 Was de SDAP als partij al weinig genegen zich met de activiteiten van het internationale comité en zijn Nederlandse tak in te laten, meer ter rechterzijde waren de problemen nog groter. In februari moest Stempels in verband met zijn medewerking aan ‘Hulp aan Spanje’ het lidmaatschap van het hoofdbestuur van de Liberale Staatspartij neerleggen.51
In dezelfde maand vond de eerste landelijke conferentie van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ plaats. De geografische verbreding van de activiteiten bleek duidelijk uit het feit dat subcommissies in tien plaatsen op deze conferentie vertegenwoordigd waren.52 Op landelijk niveau werd een reeds functionerend dagelijks bestuur herbenoemd. Het bestond uit Selma Meyer, Jet Adrian, Truus van Boxtel, Co Dankaart, Joachim Schrijver en F.J. Petersen.53 Op de laatstgenoemde na zijn wij de leden van dit bestuur in het voorafgaande reeds tegengekomen. Petersen was volgens Dankaart een van de NRH-activisten die het goederendepot van de Commissie in De Galerij beheerden. Op landelijk niveau bestond het bestuur van ‘Hulp aan Spanje’ dus voor twee derde uit communisten. De verantwoordelijkheid voor zaken als de uitgave van steun- en propagandamateriaal, persbeleid en aankoop en verzending van hulpgoederen werd gecentraliseerd en kwam volledig bij dit bestuur te berusten. Voorts werd besloten dat vertegenwoordigers van de subcommissies regelmatig voor overleg bijeengeroepen zouden worden.
Reeds voor de conferentie was geregeld dat Sam de Wolff tot plaatsvervangend secretaris-penningmeester in het dagelijks bestuur benoemd zou worden. Schrijver, die deze post tot dusverre voor zijn rekening had genomen, maakte de nodige bezwaren maar kon worden overtuigd. Vooral deze wisseling van de wacht toont aan dat reeds begin 1937 zeer bewust op deelname van sociaaldemocraten aan ‘Hulp aan Spanje’ werd gemikt.54
In de eerste maanden van haar bestaan had de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ zich ontwikkeld van een notabelencomité met een progressiefburgerlijke doelgroep tot een organisatie die ernaar streefde onder bredere lagen van de bevolking activiteiten te ontplooien en daarbij in het bijzonder belangstelling toonde voor de aanhang van SDAP en NVV. In deze ontwikkeling hadden communisten een belangrijke rol gespeeld; binnen de organisatie bekleedden zij een aantal sleutelposities. Dat hieraan geen ruchtbaarheid werd gegeven, behoeft geen betoog. Voor een zo breed mogelijke ontplooiing van het solidariteitswerk zou dit immers een ernstige belemmering hebben betekend. De besluitvorming op de landelijke conferentie van februari 1937 bevestigde de in de voorafgaande periode ingeslagen koers. In de loop van dat jaar werd de organisatie verder opgebouwd en vond er een uitbreiding en diversificatie van activiteiten plaats. De financiële resultaten van het werk van de Commissie, die tot dusverre van vrij bescheiden aard waren geweest, lieten van nu af aan een gestage groei zien.
Tot slot
Ruim veertig jaar geleden concludeerde ik dat het ‘zeer waarschijnlijk’ was dat een communistisch initiatief ten grondslag lag aan de Commissie ‘Hulp aan Spanje’. Ik heb die bevinding hierboven herhaald, want aanvullend onderzoek heeft er sterke nieuwe aanwijzingen voor opgeleverd: al op 31 juli 1936 besloot het Politiek Bureau van de CPN dat een ‘commissie van intellectuelen’ een centrale rol in het solidariteitswerk moest gaan vervullen, en vanuit de NRH werden de geboorteweeën van ‘Hulp aan Spanje’ nauwlettend gevolgd. Maar om een dergelijk initiatief van de grond te krijgen zijn organisatorisch vernuft, politiek instinct en de juiste contacten nodig. Meer dan voorheen zie ik nu, opnieuw dankzij aanvullend onderzoek, hoe essentieel de rol van Selma Meyer bij de totstandkoming en opbouw van ‘Hulp aan Spanje’ moet zijn geweest. Door haar werk voor het Wuppertalcomité beschikte zij over de nodige ervaring en contacten. Tijdens de periode die we hier hebben bekeken, het eerste halfjaar van de Spaanse Burgeroorlog, stond zij nog heel dicht bij de communistische beweging: zij had contacten binnen de CPN-leiding, maar ook met communistische vluchtelingen uit nazi-Duitsland in Nederland en elders in West-Europa, onder wie waarschijnlijk Willi Münzenberg. De Komintern-leiding hechtte aan haar oordeel. Zij was bereid en in staat een communistisch initiatief handen en voeten te geven.
We hebben gezien dat aan de communistische inbreng in ‘Hulp aan Spanje’ geen ruchtbaarheid werd gegeven. Dat betekende niet dat de communistische pers haar sympathie voor de Commissie onder stoelen of banken stak. En wie binnen ‘Hulp aan Spanje’ als niet-communist actief was kan de omvang van de communistische participatie in de organisatie nauwelijks zijn ontgaan. In hoeverre mag men de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ een communistische mantelorganisatie noemen? Ik zal me niet begeven in een discussie over de definitie van het begrip ‘mantelorganisatie’. Wel wil ik wijzen op een interessant onderscheid dat In het ‘Jaarbericht 1938’ van de Centrale Inlichtingendienst (‘B. Linkse arbeiders-organisaties’) werd gemaakt. De CI reserveerde de term ‘mantelorganisatie’ (p. 23) voor organisaties “die zich naar buiten voordoen als neutrale en boven de partijen staande verenigingen, doch die staan onder directe leiding van communisten,” bijvoorbeeld de Nederlandse Rode Hulp (“zeker de belangrijkste der mantelorganisaties”). De Commissie ‘Hulp aan Spanje’ rangschikte men onder de categorie ‘antifascistische volksfrontorganisaties’ (p. 34-35). Die vormden weliswaar een “integrerend deel van de eenheidstactiek van Moskou,” maar in de nationale vertakkingen speelden, anders dan in de internationale comités en het overkoepelende Wereldcomité tegen oorlog en fascisme “communisten geen rol.” Het Jaarbericht vervolgde: “In Nederland zijn de communisten in dit opzicht discreet, zij dringen zich niet op, en geven zodoende de besturen de gelegenheid, het telkens opkomend verwijt, dat zij communistisch gezind zouden zijn, met verontwaardiging van zich af te werpen.”
Dat communisten in ‘Hulp aan Spanje’ geen rol speelden, kan men alleen volhouden als men zich beperkt tot de landelijke Commissie en de lokale subcommissies, die min of meer als comités van aanbeveling fungeerden. Bij de opbouw van de organisatie en in het feitelijke solidariteitswerk was hun inbreng in veel opzichten bepalend. Maar de CI had zeker gelijk met het oordeel dat de CPN ‘discreet’ te werk ging bij de vormgeving van die inbreng. Het gezicht van de Commissie werd bepaald door niet-communisten, en dat betekende dat bij verschil van mening een beroep op discipline niet baatte: overtuiging was dan geboden. Communisten hadden een essentiële inbreng, ze hadden niet de leiding. In de toekomst hoop ik terug te komen op de geschiedenis van de Commissie in de jaren tussen de eerste landelijke conferentie van ‘Hulp aan Spanje’, in februari 1937, en het einde van de burgeroorlog, in maart 1939. Het was de periode waarin de Commissie haar grootste activiteit ontplooide en haar grootste resultaten behaalde. Het feit dat in dezelfde periode de Nederlandse Rode Hulp werd opgeheven was hieraan niet vreemd.
- Zie voor dit materiaal M. Schrevel, ‘Stukken met betrekking tot de CPH/CPN in het archief van de Komintern, 1919-1943 [1945]’, in: M. Schrevel & G. Voerman (red.), De communistische erfenis. Bibliografie en bronnen betreffende de CPN, Amsterdam 1997, 39-73.
- De Tribune 17 augustus 1936; P. Rax, ‘La conférence européenne pour la défense de la république espagnole, de la démocratie et de la paix’, La correspondance internationale 16e Année, No. 37 (22 augustus 1936), 1021-1022; rapport van de Centrale Inlichtingendienst (CI) aan de minister van buitenlandse zaken, ‘s-Gravenhage 23 november 1936, no. 38797, geheim.
- Vergelijk H. Thomas, The Spanish Civil War. Third edition, revised and enlarged, Harmondsworth 1977, p. 360-361.
- H. Gruber, ‘Willi Münzenberg’s German communist propaganda empire 1921-1933’, The Journal of Modern History 38 (1966), 278-297, aldaar 291-292; H. Gruber, ‘Willi Münzenberg: propagandist for and against the Comintern’, Review of Social History 10 (1965), 188-210, aldaar 193; D. Caute, The Fellow-Travellers. A postscript to the Enlightenment, New York 1973, p. 132-133; J. Calver, The Comité mondial des femmes contre la guerre et le fascisme. Anti-fascist, feminist, and communist activism in the 1930s. Phd University of Northumbria, Newcastle 2019, 34-42.
- Zie voor de besluiten van het CPN-congres van 1935 Voor de eenheid der arbeidersklasse. Wat het congres der Communistische Partij van Nederland besloot, Amsterdam 1936. Een goede schets van deze koerswending geeft A.A. de Jonge, Het communisme in Nederland. De geschiedenis van een politieke partij, Den Haag 1972, p. 60-64. Zie ook G. Voerman, ‘De Groot aan het bewind. De CPN en de Komintern, 1935-1938’, Politiek & Cultuur 55.1 (1995), p. 125-131.
- Vergelijk A. Gerrits, ‘Internationalisme en nationale belangen. De discussies over het communisme in de SAI’, in: J. Bank e.a. (red.), Het zesde jaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam 1985, p. 120-147, aldaar 141-142.
- Zie voor een beknopte schets van deze ontwikkeling H. Kaal, ‘De electorale cultuur van de sociaaldemocraten, 1918-1940’, Leidschrift 32, 2017, p. 69-87, 9-190, aldaar 78-79.
- Zo schreef CPN-voorzitter Ko Beuzemaker in De Tribune van 28 augustus 1936 naar aanleiding van het proces tegen Zinovjev en Kamenev dat “dit proces een aansporing moet zijn, om in te zien, hoe groot het gevaar voor de vrede en de democratie reeds is. Hoe noodzakelijk het is juist daarom de krachten in alle landen tegen het fascisme te verenigen en zich niet door radicale frasen van de Trotzkistische saboteurs van het eenheidsfront in de war te [laten] brengen.”
- Zie M. Prak, Buitenlandse Zaken. De SDAP en de Spaanse burgeroorlog, 1936-1939. Doctoraalscriptie, Utrecht 1980, p. 66-72. Van deze scriptie is een ‘ingedampte versie’ verschenen in: Jan Bank e.a. (red.), Het zesde jaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam, 1985, p. 148-71. Omdat bij het indampingsproces nogal wat voor mijn doel interessante gegevens zijn vervlogen, verwijs ik naar het origineel.
- Vergelijk op deze website https://www.spanje3639nu.nl/geschiedenis/hoe-de-katholieke-opinie-in-nederland-zich-tegen-de-spaanse-republiek-keerde/. Deze analyse treft men ook in contemporaine bronnen aan, zie bijvoorbeeld ‘Bericht über die Spanien-Kampagne, [augustus] 1936’ van de NRH, IISG Collection Komintern-CPH/CPN 539-582.
- Prak, Buitenlandse zaken, p. 54-58.
- Vergelijk de circulaire voor (kader)leden van de Rode Hulp van 3 augustus 1936, IISG, Collection Komintern-CPH/CPN 539/582: “Zodra echter het N.V.V. een steunactie begint, zetten onze mensen, die bij en in het N.V.V. werken, onze actie stop en stellen zich in dienst der actie van het N.V.V. Hierbij hebben wij dan tot taak deze actie op te voeren en tot een levende solidariteitsactie te maken.”
- Zie voor de NRH A. Gerrits, ‘”Solidariteit zonder eenheidsfront”. De Internationale Rode Hulp in Nederland, 1925-1938’, in: Cahiers over de geschiedenis van de CPN 10, Amsterdam 1985, p. 55-79.
- Afweerfront 1936, no. 21 (1ste helft november), p. 2; ‘Spanien-Kampagne’ van de NRH (februari 1937), IISG Collection Komintern-CPH/CPN 539/585: “…die grösste Kampagne, die je von der Roten Hilfe Holland geführt worden ist.”
- Vergelijk het in noot 2 genoemde rapport van de CI. Daarin werd overigens wel de alarmklok geluid over het op 13 augustus in Parijs opgerichte internationale comité, volgens de opstellers van het rapport “allen personen die hunne beste krachten geven, om onder leiding van Moskou, te komen tot een wereldvolksfront tegen het fascisme, een wereldvolksfront, tot het vormen waarvan, G. Dimitroff, algemeen secretaris van de communistische internationale onlangs wederom openlijk heeft opgeroepen.”
- De waarheid omtrent Spanje! Bulletin no. 1. Uitgegeven door de Commissie ‘Hulp aan Spanje, Nederlandsche afdeeling van het internationale ‘Comité de coordination et d’information pour l’aide à l’Espagne républicaine’, z.pl. z.j., p. 5.
- Vergelijk De Tribune 19 augustus 1936.
- Vergelijk op deze website https://www.spanje3639nu.nl/boeken-films-podcasts/de-spaanse-burgeroorlog-en-de-nederlandse-vakbeweging/.
- Zie voor Selma Meyer B. de Cort, Van vrouwen, vrede en verzet. Selma Meyer (1890-1941) en haar Holland Typing Office. Gecorrigeerde en aangevulde herdruk, z.pl. 2015; en de biografie in het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland.
- Lidmaatschap van de SDAP: De Cort, Van vrouwen, vrede en verzet, p. 27 en 43.
- De Cort, Van vrouwen, vrede en verzet, p. 26-29; S. Stracke, Solidaire Hulp. Auf den Spuren des Wuppertal-Komitees, Wuppertal 2026, p. 14-17 en 26-27. Lie Heijnen was voorzitter van het Wereld-Vrouwen-Comité tegen oorlog en fascisme, een nauw aan de CPN gelieerde organisatie, zie S. de Leede, De strijd tegen fascisme. Het activistische leven van Lie Alma (1909-1990), Amsterdam 2026, p. 24-27, 43-50 en 53-55.
- Jaarbericht B 1936 van de CI, p. 74; Jaarbericht B 1937 van de CI, p. 58. Vergelijk De Cort, Van vrouwen, vrede en verzet, p. 29.
- Stracke, Solidaire Hulp, p. 35-36.
- De Cort, Van vrouwen, vrede en verzet, p. 29.
- ‘Bericht über Holland’, door A. Kellermann, IISG, Collection Komintern-CPH/CPN 495/12/45; vergelijk voor het rapport van Kellermann G. Verrips, Dwars, duivels en dromend. De geschiedenis van de CPN 1938-1991, Amsterdam 1995, p. 37-30; Voerman, ‘De Groot aan het bewind’, p. 127-128. Vergelijk voor de betrokkenheid van Selma Meyer bij de communistische beweging ook de noten 36 en 48 hieronder. Later in de jaren ’30 lijkt zij van mening te zijn veranderd. Vanaf medio 1937 bouwde zij contacten op met niet-communistische Duitse vluchtelingen, en in 1939 werd zij lid van Eenheid Door Democratie, een organisatie die zich zowel tegen het communisme als tegen het nationaal-socialisme keerde. Zie De Cort, Van vrouwen, vrede en verzet, p. 43-44.
- Interview van Hans Dankaart en Jaap-Jan Flinterman met Co Dankaart, 22 november 1979; interview van Jaap-Jan Flinterman met Co Dankaart 19 mei 1981, https://hdl.handle.net/10622/ARCH02806.58. Zie voor een levensbericht van Dankaart: G. Harmsen, ‘Co Dankaart, zoon van het werkende volk’, Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging 24 (1991), p. 44-51. Interviews van Jaap-Jan Flinterman met Truus van den Muyzenberg-van Boxtel, 18 december 1980 en 6 februari 1981, https://hdl.handle.net/10622/ARCH02806.62. Truus van Boxtel trad in het najaar van 1936 in dienst bij het Holland Typing Office van Selma Meyer, waar ze in feite voor de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ werkte.
- Notulen van vergadering van het Politiek Bureau van de CPN, 31 juli 1936, IISG, Collection Komintern-CPH/CPN 495/12/46.
- Struik was in 1936 vertegenwoordiger van de CPN bij het Executief Comité van de Communistische Internationale (EKKI) in Moskou. Dit betekende echter niet dat hij permanent in Moskou verbleef, vergelijk Voerman, ‘De Groot aan het bewind’, p. 125-127. Zijn aanwezigheid in Moskou is geattesteerd in april, juni, oktober en november, maar tussen begin juli en medio augustus woonde hij in Amsterdam een aantal bijeenkomsten van het Politiek Bureau en een vergadering van het Centraal Comité bij (IISG, Collection Komintern-CPH/CPN 495/12/46). Over de tweede helft van augustus en september ontbreken gegevens, maar het is dus geenszins uitgesloten dat hij pas in het (vroege) najaar naar Moskou terugkeerde.
- Sinds 1933 was het mensen in overheidsdienst verboden lid van de CPN te zijn.
- Interviews Dankaart 22 november 1979 en 19 mei 1981; vergelijk interview Van den Muyzenberg-van Boxtel 6 februari 1981. In het door haar dochter Pip Wiessing ingevulde formulier voor het ‘Gedenkboek gevallen verzetsstrijders’ in het CPN-archief (131.1) wordt vermeld: “Gewerkt voor Hulp aan Spanje en de M[arxistische] A[rbeiders] S[chool].”
- ‘Bericht über die Spanien-Kampagne, 1936’ van de NRH (augustus 1936), IISG Collection Komintern-CPH/CPN 539/582.
- Zie ook ‘Spanien-Kampagne’ van de NRH (februari 1937), IISG Collection Komintern-CPH/CPN 539/585: “In unserem ersten Bericht konnten wir wohl über die Vorbereitung dieser Kommission schreiben, jedoch war es damals noch nicht zu einem öffentlichen Aufruf gekommen. Kurz danach wurde die Kommission jedoch errichtet.”
- Het Volksdagblad 30 juli 1937.
- De waarheid omtrent Spanje! Bulletin No. 1, p. 6; Onze Hulp aan Spanje. Uitgave van de commissie ‘Hulp aan Spanje’, z.pl. z.j, p. 8. Zie voor Kasteins verblijf in Spanje de biografie van de hand van B. Goudriaan, Verzetsman Gerrit Kastein (1910-1943). ‘Een communistische intellectueel van een vreeswekkende koelbloedigheid’, Leiden 2010, p. 71-82. Vergelijk voor Nederlands medisch personeel in Spanje ten tijde van de burgeroorlog H. Dankaart e.a., De oorlog begon in Spanje. Nederlanders in de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, Amsterdam 1986, p. 118-131.
- De waarheid omtrent Spanje! Bulletin no. 2. Uitgegeven door de Commissie ‘Hulp aan Spanje, Nederlandsche afdeeling van het internationale ‘Comité de coordination et d’information pour l’aide à l’Espagne républicaine’, te Parijs, z.pl z.j.
- De Tribune 1 december 1936. Volgens Maandelijksch Informatie-Bulletin. Uitgave van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ no. 1 (maart 1937), p. 2 werden in de periode tot februari 1937 tien openbare vergaderingen gehouden. Zie ook ‘Bericht über die gesammte Hilfstätigkeit für Spanien in Holland, d. 30 Dezember 1936’, IISG, Collection Komintern-CPH/CPN 495/12/50 waar openbare vergaderingen in Amsterdam, Haarlem, Den Haag, Hilversum, Rotterdam en Utrecht worden vermeld, de laatste twee in voorbereiding. Dit anonieme ‘Bericht’ was opgesteld door Selma Meyer. De auteur was aanwezig geweest bij de conferentie in Parijs medio augustus en zij maakt melding van ‘eine Frauenkommission worin auch ich offiziell sitze’. Selma Meyer was de enige Nederlandse vrouw die die conferentie had bijgewoond. Het bericht werd gearchiveerd ‘ins Archiv bei Gen[osse] Ercoli’. ‘Ercoli’ was de schuilnaam van Palmiro Togliatti, die als lid van het secretariaat van het EKKI verantwoordelijk was voor de contacten met een aantal partijen, waaronder de CPN. Het ‘Bericht über die gesammte Hilfstätigkeit für Spanien in Holland’ heeft verdacht veel weg van een antwoord op de scherpe kritiek die het secretariaat van het EKKI in een resolutie van 5 december op de CPN had uitgeoefend vanwege de tekortschietende solidariteitscampagne in Nederland, IISG Collection Komintern-CPH/CPN 495/18/1124. Was Selma Meyer zich bewust van het feit dat de doelgroep van haar bericht in Moskou zat? Dat lijkt zeker niet uitgesloten.
- De Tribune 26 november 1936. Zie voor Leocadio Lobo het artikel van J.L. González Gullón, ‘Leocadio Lobo: the Spanish civil war as seen by a priest exiled in the United States of America’, The Catholic Historical Review 98, 2012, p. 726-750.
- ‘Spanien-Kampagne’ van de NRH (februari 1937), IISG Collection Komintern-CPH/CPN 539/585.
- De Waarheid omtrent Spanje! Bulletin No. 2, p. 23 “… het Werk-Comité van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’, Galerij 2, Amsterdam-C.”; interview Dankaart 19 mei 1981.
- ‘Organisations-Bericht 1936’ van de NRH, IISG Collection Komintern-CPH/CPN 539/583.
- Maandelijksch Informatie-Bulletin. Uitgave van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ no. 1 (maart 1937), p. 3.
- Voor de totstandkoming van het WVC zie W. Kruyer, ‘Parijs 1934, Het Vrouwencongres tegen oorlog en fascisme’, in: Cahiers over de geschiedenis van de CPN 6 (1981), p. 11-54, met name 44-45; zie ook noot 21 hierboven. Ondersteuning van ‘Hulp aan Spanje’ door het WVC: De Leede, De strijd tegen fascisme, p. 88-89.
- Interview van Hans Dankaart en Jaap-Jan Flinterman met Lie Alma-Heijnen 27 augustus 1980, IISG COLL00179, 105-106. Zie ook De Leede, De strijd tegen fascisme, p. 85-102. Lie Alma-Heijnen heeft altijd ontkend dat zij ooit lid van de CPN is geweest. De Leede, De strijd tegen fascisme, p. 55-60 toont aan dat zij destijds misschien geen partijlid was, maar sterker betrokken bij de communistische beweging dan zij later heeft willen toegeven.
- In het ‘Bericht über die gesammte Hilfstätigkeit für Spanien in Holland, d. 30 Dezember 1936’, IISG, Collection Komintern-CPH/CPN 495/12/50 (vergelijk hierboven, noot 36) meldt zij dat zij weliswaar geen lid is van de Commissie, maar ‘ständisch’ [sic, bedoeld is waarschijnlijk ‘ständig’, ‘voortdurend’] met de secretaris samenwerkt, omdat de voorzitter weinig tijd heeft.
- Interview van Jaap-Jan Flinterman met Theo van Reemst, 21 oktober 1979, https://hdl.handle.net/10622/ARCH02806.65.
- Interview Van de Muijzenberg-van Boxtel 18 december 1980; interview Dankaart 22 november 1979. In 1937/8 treft men in De Tribune en Het Volksdagblad regelmatig berichten aan van het Spaanse persagentschap, voor zover ik heb kunnen nagaan voor het eerst op 15 februari 1937.
- Vergelijk B. Gross, Willi Münzenberg. A Political Biography. Translated by Marian Jackson, Michigan State University Press 1974, p. 311-312.
- Truus van Boxtel meende zich dit te herinneren, maar twijfelde op dit punt aan haar geheugen. Vergelijk echter Stracke, Solidaire Hulp, p. 36-37.
- Prak, Buitenlandse zaken, p. 54; interviews Dankaart 22 november 1979 en 19 mei 1981.
- De Tribune 16 en 20 januari 1937; Maandelijksch Informatie-Bulletin. Uitgave van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ no. 1 (maart 1937), p. 3. Namens ‘Hulp aan Spanje’ woonden Schrijver en Selma Meyer de conferentie bij.
- De Tribune 9 en 18 februari 1937.
- Tenzij anders vermeld zijn gegevens over deze conferentie ontleend aan het verslag in het Maandelijksch Informatie-Bulletin. Uitgave van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ no. 1 (maart 1937).
- Vergelijk interview Dankaart 19 mei 1981.
- Interviews Dankaart 22 november 1979 en 19 mei 1981; vergelijk Maandelijksch Informatie-Bulletin. Uitgave van de Commissie ‘Hulp aan Spanje’ no. 1 (maart 1937), p. 2 en 4.




