Lesbrief voor de hogere klassen van HAVO en VWO

INLEIDING
Op 18 juli 1936 werd de wereld opgeschrikt door berichten over een militaire opstand tegen de vooruitstrevende regering van de Spaanse Republiek. Na enkele weken werd duidelijk dat de opstandelingen op grote schaal militaire steun ontvingen van Duitsland en Italië.
Spanje, tot op dat moment voor veel mensen een witte plek op de kaart van Europa, kwam in het brandpunt van de internationale belangstelling te staan. De militaire opstand leidde tot een burgeroorlog, die bijna drie jaar duurde, meer dan een half miljoen levens kostte en leidde tot een fascistische dictatuur, die de Tweede Wereldoorlog dertig jaar zou overleven.
Nederlanders vochten mee tegen de fascisten van Generaal Franco
Aan de kant van de wettige regering van de Spaanse Republiek vochten in deze burgeroorlog enkele tienduizenden buitenlandse vrijwilligers mee. Zij vormden de zogenaamde Internationale Brigades. Hiervan maakten naar schatting ook ruim 600 Nederlanders deel uit.
Wat waren deze Nederlandse vrijwilligers voor mensen? Wat bracht hen ertoe hun land, hun vrienden, hun familie, hun gezin te verlaten en in het toen nog verre Spanje aan de strijd te gaan deelnemen? Wat maakten zij daar mee? Dat is het soort vragen, waarop wij in deze lesbrief zullen ingaan.
We behandelen:
- De voorgeschiedenis
- Het begin van de oorlog
- De afzijdigheid van Frankrijk en Engeland
- De Internationale Brigades
- De Nederlanders die in Spanje vochten oftewel de Spanjestrijders
- Spanjestrijders aan het front. Wij laten daarbij voor een belangrijk deel een aantal Nederlandse vrijwilligers zelf aan het woord.
- Medische hulp
- Terug naar huis
- De Spanjestrijders verloren hun Nederlanderschap
In de tekst vind je links naar andere teksten en sites.
VOORGESCHIEDENIS VAN DE SPAANSE BURGEROORLOG
Tot 1931 was Spanje een monarchie. In april van dat jaar kwam hieraan een einde. Na voor de monarchisten rampzalige gemeenteraadsverkiezingen pakte de koning zijn biezen en vertrok naar het buitenland. De Republiek, die nu werd uitgeroepen, stond voor gigantische opgaven. Gerekend naar toenmalige Europese maatstaven was Spanje een achtergebleven land, dat bovendien werd verscheurd door scherpe maatschappelijke en politieke tegenstellingen. Een groot deel van de landbouwgrond was in handen van grootgrondbezitters; tegenover hen stond een landloos proletariaat, dat in miserabele omstandigheden leefde. In verschillende regio’s, vooral in Catalonië en Baskenland, streefde de bevolking naar een zekere mate van autonomie ten opzichte van het centrale gezag. De rooms-katholieke kerk had een sterke positie in het economische en politieke leven en een vrijwel volledige greep op het onderwijs. Binnen het leger werd de toon aangegeven door officieren met veelal anti-republikeinse opvattingen. In de industrie laaiden met grote regelmaat harde arbeidsconflicten op.
Twee kampen
In de vijf jaar, voorafgaande aan de burgeroorlog, leidden deze tegenstellingen tot een toenemende polarisatie. Geleidelijk vormden zich twee kampen. Aan de ene kant stonden de republikeinen (vooruitstrevende liberalen), de voorstanders van autonomie voor Catalonië en Baskenland en de arbeidersbeweging. De Spaanse arbeidersbeweging was onderling weer sterk verdeeld. In andere Europese landen had het anarchisme nooit echt wortel geschoten onder de arbeiders, maar in Spanje had het een grote aanhang. Deze was georganiseerd in een vakverbond, de Confederación National del Trabajo. Verder bestond de arbeidersbeweging uit socialisten en communisten. De socialisten beschikten eveneens over een eigen vakverbond, de Union General de Trabajadores. De Spaanse communistische partij had tot 1936 een vrij bescheiden aanhang; tijdens de burgeroorlog zou hierin verandering komen. Het vooruitstrevende kamp was dus een bont gezelschap.

Onderlinge verdeeldheid zou in de loop van de burgeroorlog nog aanleiding geven tot grote moeilijkheden. In dit beknopte bestek kunnen wij daarop niet verder ingaan.
Tegenover het vooruitstrevende kamp stond alles wat bij politieke en sociaal-economische hervormingen iets te verliezen had: de grootgrondbezitters, de financiële wereld, de officierskaste en de rooms-katholieke kerk. In februari 1936 vonden parlementsverkiezingen plaats. Deze werden gewonnen door het Volksfront, een samenwerkingsverband van republikeinen, socialisten en communisten. Met steun van de arbeiderspartijen vormden de republikeinen een regering. Het rechtse kamp bezon zich na zijn verkiezingsnederlaag op andere middelen om aan de macht te komen. Militairen, monarchisten en fascisten begonnen een staatsgreep voor te bereiden.

HET BEGIN VAN DE BURGEROORLOG – BUITENLANDSE INMENGING
De militaire opstand brak uit in juli 1936. Generaal Franco stelde zich aan het hoofd ervan. Na enige aarzeling verdeelde de regering wapens onder de leden van arbeiderspartijen en vakbonden. In samenwerking met regeringsgetrouwe militairen wisten deze arbeidersmilities de opstand in het grootste deel van het land neer te slaan. In de eerste weken van de oorlog, die nu begon, was de militaire situatie weinig rooskleurig voor de opstandelingen. Hierin kwam echter snel verandering door Duitse en Italiaanse steun, eerst in de vorm van wapens en vliegtuigen, al spoedig ook door het sturen van vele tienduizenden manschappen. Adolf Hitler en Benito Mussolini zagen maar al te graag in Spanje een bevriend regiem aan de macht. Dat zou immers een verzwakking van de positie van Frankrijk en Engeland in Zuid-Europa betekenen. Bovendien beschikte Spanje over ertsen, die de fascistische dictators nodig hadden voor hun bewapeningsprogramma’s.
In de volgende jaren werd Spanje het proefterrein van de Duitse en Italiaanse legers. In het voorjaar van 1937 werd het Baskische stadje Guernica volledig verwoest door het Condor-legioen, de luchtmacht van Hitlers troepen in Spanje. Dit was de eerste keer in de geschiedenis, dat een volstrekt onverdedigde stad aan een systematisch terreurbombardement vanuit de lucht werd onderworpen. Het lot van Guernica, dat in de Tweede Wereldoorlog zoveel steden zou treffen, inspireerde Picasso tot zijn gelijknamige schilderij.
FRANKRIJK EN ENGELAND HIELDEN ZICH AFZIJDIG
Frankrijk en Engeland weigerden wapens te leveren aan de wettige regering van de Spaanse Republiek. Kort na het uitbreken van de burgeroorlog namen zij het initiatief tot een niet-inmengings-overeenkomst. De deelnemende landen verplichtten zich geen wapens te leveren aan de strijdende partijen in Spanje.
Dat was dus anders dan in het Oekraine van nu.
Ook het sturen van manschappen viel natuurlijk onder deze overeenkomst. Hoewel Duitsland en Italië tot de overeenkomst toetraden, trokken zij er zich in de praktijk niets van aan. Desondanks volhardden Frankrijk en Engeland in hun houding. Militaire hulp van enige betekenis ontving de Spaanse Republiek alleen van de Sovjet-Unie in de vorm van wapens en militaire specialisten. Deze hulp begon in het najaar van 1936 in Spanje te arriveren.
DE INTERNATIONALE BRIGADES
Inmiddels had de Spaanse Republiek ook andere buitenlandse hulp gekregen. Deze kwam echter niet van regeringen, maar van individuele mensen. Direct na het uitbreken van de vijandelijkheden gingen mensen uit verschillende Europese landen op eigen initiatief en op eigen gelegenheid naar Spanje om daar aan de kant van de Republiek te vechten. De Communistische Internationale haakte op deze spontane beweging in. Vanaf oktober 1936 werd de werving van vrijwilligers systematisch aangepakt door communistische partijen in verschillende landen.

Vrijwilligers uit de hele wereld kwamen naar het rekruteringscentrum in Parijs en reisden vandaar door naar Spanje. Het best vertegenwoordigd waren Fransen, Polen, Italianen, Amerikanen en Duitsers.
NEDERLANDERS OP WEG NAAR SPANJE
Ook uit Nederland vertrokken in de eerste maanden van de burgeroorlog enkele mensen spontaan en op eigen gelegenheid met als bestemming Spanje. Eén van hen was Piet Laros ook wel ‘Hollander Piet‘ uit Utrecht, toentertijd 35 jaar oud. In zijn jonge jaren was Laros als arbeider bij de Zuiderzeewerken anarchist geworden, maar in 1933 was hij toegetreden tot de CPN, de Communistische Partij Nederland. Aan zijn directe, emotionele verzet tegen iedere vorm van onrecht veranderde deze stap niets. Maar de CPN was in die tijd een partij met een strakke discipline. Toen Laros aankwam met zijn plan om naar Spanje te gaan, viel dat bij zijn partij niet in goede aarde. De CPN was nog niet begonnen met het werven van vrijwilligers en een overmaat aan eigen initiatief werd kennelijk niet gewaardeerd. Maar Laros liet zich niet van zijn stuk brengen: ‘Toen ben ik weer gegaan naar de CPN, ik zeg: ‘Nou, ik ga toch naar Spanje’.” Een partijfunctionaris verweet hem een typisch anarchistisch gebrek aan discipline. Laros: “En toen heb ik m’n partijboekje gepakt, ik zeg: ‘Ik bedank voor de communistische partij. Nou kun je me toch niet verwijten, dat ik disciplinebreuk kan maken’. Zo heb ik dan afscheid genomen, ze hebben me natuurlijk niet uitgewuifd.” Laros vertrok per fiets naar Parijs, waar op dat moment het internationale rekruteringscentrum net begon te functioneren. Vandaar werd hij voortgeholpen naar Spanje.
Nog voor de jaarwisseling 1936/1937 begon de CPN actief vrijwilligers te werven. De meeste Nederlanders, die naar Spanje zijn gegaan, zijn dan ook door de CPN in samenwerking met de Belgische en Franse zusterpartijen naar Parijs voortgeholpen. De toenmalige Nederlandse regering kon hiervoor weinig waardering opbrengen en probeerde het vertrek van vrijwilligers te verhinderen. Voorzichtigheid was dus geboden.
De Amsterdamse communist Adriaan van Dijk, toen 26 jaar oud, liet rond de jaarwisseling aan een partijgenoot weten, dat hij naar Spanje wilde. Reisgeld en een adres in Parijs, waar hij zich moest melden, kreeg hij van een ander. Van Dijk: “Er werden geen namen genoemd. Waar ik het mee besproken had, die kwam niet, maar een ander, die kwam en die kende ik helemaal niet. Want je moest oppassen, alles zat achter je aan. Dus je moest voorzichtig zijn en de partij was inderdaad voorzichtig.” Van Dijk arriveerde in januari 1937 in Spanje, waar hij bijna twee jaar aan de strijd zou deelnemen.
Wat bracht mensen als Laros en Van Dijk tot zo’n ingrijpend besluit? De mensen, die vrijwillig naar Spanje gingen, volgden vrijwel allemaal met grote betrokkenheid de politieke ontwikkelingen van die periode. In 1933 was in Duitsland Hitler aan de macht gekomen. De nationaal-socialisten begonnen onmiddellijk met de vervolging van hun politieke tegenstanders. Veel mensen ontvluchtten Duitsland, onder andere naar Nederland. De Nederlandse regering zag hen liever gaan dan komen; wat dat betreft is er weinig nieuws onder de zon. Vooral linkse politieke vluchtelingen liepen het gevaar weer over de Duitse grens gezet te worden. Opvang en verzorging van deze mensen moest dus in het geheim plaats vinden. Veel latere Spanje-vrijwilligers waren bij dit werk betrokken en werden zo direct geconfronteerd met het fascisme.
Arie Favier, die in oktober 1936 als 21-jarige naar Spanje zou vertrekken, reisde in de voorafgaande jaren verschillende malen naar Duitsland op en neer om slachtoffers van politieke vervolging op te halen. Favier over zijn besluit om naar Spanje te gaan: “Ik zeg wel eens, het is in Duitsland geboren. Als je ziet, aan welke terreur mensen bloot staan op een gegeven moment. Dat is een golf, dat kon je toen al zien, als je je ogen open had, dat is een golf, die over heel Europa komt. En nou gaan ze in Spanje datzelfde beginnen, dat zijn dan twee fronten, hè, de fascisten in Spanje tegen de burgerbevolking, dan krijg je in Spanje hetzelfde. Nou, daar moet wat aan gedaan worden.”

Net als andere vrijwilligers voorzag Favier, dat het Duitse fascisme uit was op de heerschappij over heel Europa. De steun van Hitler en Mussolini aan Franco zagen de vrijwilligers als een uiting van dat streven.
Willem de Jong vertrok eind 1937 als 17-jarige naar Spanje. De Jong over wat hem daartoe bracht: “We hadden die opkomst van het fascisme, we hadden te maken met die Duitse immigranten, hoe de toestand in Duitsland was, hoe snel dat ging. We kregen de berichten, dat het Condor-legioen, die nieuwe Luftwaffe, daar bombardementen uitvoerde in Spanje. De toestand werd dus steeds slechter vanuit Nederland bekeken. We voelden wel, dat als dat door zou gaan, die overrompeling door Franco met behulp van Duitsland en Italië, dat de weg dan vrij zou zijn voor een verder oprukken van het fascisme, al of niet met een wereldoorlog.” De vrijwilligers zagen het optreden van Franco en zijn Duitse en Italiaanse bondgenoten dus als onderdeel van een internationaal fascistisch veroveringsplan, dat uiteindelijk ook voor Nederland een bedreiging betekende. Trouwens, in Nederland zelf timmerde het fascisme ook aan de weg. Had de NSB bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1935 niet acht procent van de stemmen gehaald? Anders dan in Nederland bestond in Spanje de mogelijkheid het fascisme gewapenderhand te bestrijden. Piet Laros: “Maar, kun je zeggen, wat heb je ermee te maken, waarom moest je daar naartoe gaan? Waarom moest Piet Laros er naartoe gaan? Ja, ik had dat gekke gevoel, hier kan het fascisme voorlopig niet verslagen worden, daar moet ik gaan helpen, daar kan ik helpen!” Naast verstandelijk-politieke overwegingen heeft ongetwijfeld ook deze emotionele behoefte om een daad te stellen bij veel vrijwilligers een rol gespeeld.

De Internationale Brigades speelden bij de verdediging van de Spaanse Republiek een niet te onderschatten rol. Door de militaire opstand beschikte de Spaanse regering niet meer over een geregeld leger.

In de eerste maanden van de burgeroorlog kwam het verzet tegen de opstandelingen vooral van arbeidersmilities. Deze vochten weliswaar met grote inzet, maar leden door gebrek aan organisatie nederlaag op nederlaag. Vorming van een geregeld leger was dus noodzakelijk. De Internationale Brigades vervulden hierbij een voorbeeldfunctie. Zij waren hecht georganiseerd, vochten gedisciplineerd en behaalden successen. Vaak werden zij als stoottroepen ingezet: voorop bij de aanval, bij terugtochten in de achterhoede om de vijandelijke opmars zoveel mogelijk te vertragen. De verliescijfers waren dan ook hoog. Van de Nederlandse vrijwilligers kwam minstens tien procent in Spanje om. En maar weinig mensen raakten niet tenminste één keer gewond.
Vooral de eerste frontervaring is de vrijwilligers in het geheugen gegrift. Jaap Gons, werkloos zeeman, 28 jaar oud, onderging zijn vuurdoop in februari 1937 ten zuiden van Madrid. Hij herinnert zich levendig, hoe hij naar het front trok: “Je moest je klaarmaken, koppel, stalen helm en het geweer en zo. En dan gingen we lopende naar het front, en dan liep je allemaal aan één kant van de weg en op afstanden van elkaar van vijf of zes meter. Dus als er een granaat in zou slaan, als er dan tien soldaten bij elkaar waren, waren ze alle tien dood of zwaargewond. Om dat te voorkomen liep je allemaal op afstanden van elkaar van vijf of zes meter. En zo sukkelde je met je geweer op je nek in de richting van het front. En ik weet nog goed, de eigenlijke weg. de rijweg ging naar rechts en dan stond er een bordje ’A Madrid 30 km’.
Nou, m ’n lieve mens, in tijd van ja en nee zagen we de trechters van modder, de inslaande granaten. Ik denk: ‘Potverdorie nog aan toe’
Maar wij lieten die weg gewoon rechts liggen en wij staken de weg over en wij gingen het veld in. En in dat veld stonden allemaal van die olijfbomen, dat zijn van die korte boompjes met zo’n brede kruin. Ja, en die aarde was bruinachtig. En dan hadden we geleerd, dat als je aan het front komt, dan zoek je dekking. Dus je kwam aan het front en je ging achter zo’n boom liggen en iedereen zocht dekking. En naarmate de dag begon aan te breken, hoorden we in de verte gerommel. Nou, m ’n lieve mens, in tijd van ja en nee zagen we de trechters van modder, de inslaande granaten. Ik denk: ‘Potverdorie nog aan toe’. Ik was naar het front gegaan en je was vrijwillig gegaan, dus je wist, wat er kon gebeuren. Nou, de ene trechter van aarde na de andere spoot omhoog en we moesten juist in de richting van die trechters en exploderende granaten.” Twee dagen later werd Gons gewond. Hij herstelde en diende tot eind 1938, toen de Internationale Brigades werden teruggetrokken.

Datum: juni 1937 Bron: Spanjestrijders.nl
Ook voor Arie van Poelgeest was dit het eerste front. Daarna vocht hij, in maart 1937, bij Guadalajara, waar het interventieleger van Mussolini een zware nederlaag leed. Van Poelgeest: “Daar hebben we de Italianen afgerost en een hele hoop materiaal veroverd, een hele hoop gevangenen gemaakt. Toen waren we met 5000 internationalen en er kwam een leger van 30.000 op ons af. Maar die jongens, die hadden geen trek, die dachten, dat ze in Abessinië waren. Want die hadden zich aangemeld voor Abessinië. Dat was toch een truc van die Mussolini-bende, om ze naar Spanje te krijgen. Toen kwamen ze tot de conclusie, dat er raak geschoten werd, daar hadden ze helemaal geen trek in.”
In juli 1937 raakte Van Poelgeest zwaar gewond bij een aanval: ‘Toen hadden we Brunete al veroverd, toen moesten we alleen nog het kerkhof van Quijorna, dat lag buiten Brunete, dat was met dikke muren en stenen. Toen schoten onze tanks gaten in die muren en wij doken door die gaten. En toen kreeg ik gelijk dat schot, hier in en daar uit (wijst aan, hoe de kogel door zijn kaak ging). Ik heb natuurlijk de eerste tijd nergens van geweten, je krijgt een enorme rot-timmer. En toen kwam ik bij en toen stond Herman te huilen, Herman van den Hamer.” Van den Hamer was op dat moment de enig overgeblevene van een groep van achttien Nederlandse vrijwilligers, die in februari voor het eerst waren ingezet. In een half jaar waren zeventien van de achttien gesneuveld of door verwondingen uitgeschakeld. Van Poelgeest keerde na een voorlopige behandeling naar Nederland terug, hoewel hij zelf weer naar het front wilde: “Ze zeiden: ‘Je hebt je portie gehad, ga maar naar huis toe.” Nog jaren later zou hij de gevolgen van zijn verwonding ondervinden.
MEDISCHE HULP
De oorlogssituatie vereiste natuurlijk een intensieve medische zorg. De Internationale Brigades beschikten over een uitgebreide gezondheidsdienst. Hierin werkten ongeveer 250 buitenlandse artsen en 1500 buitenlandse verpleegkundigen. Onder hen was ook een dertigtal Nederlandse vrouwen en mannen. Met steun van de solidariteitsbeweging in Nederland werd in 1937 een Hollands Hospitaal ingericht in Villanueva de la Jara. Het personeel bestond in hoofdzaak uit Nederlanders. Gewonde en zieke Nederlandse vrijwilligers werden veelal hier verpleegd, maar onder de patiënten waren ook Spanjaarden.
Trudel van Reemst werkte hier als verpleegster. Haar relaas geeft een goed beeld van de maatschappelijke verhoudingen op het Spaanse platteland van die jaren: “Dat was een klein dorp, dat Villanueva de la Jara, dat had één geweldig huis, het huis van de grootgrondbezitter, en dat werd een hospitaal voor 200 patiënten. Het had een tweede groot huis, daar woonden de monniken, die gevlucht waren, en dat werd het zusterhuis. Het hospitaal was volledig bezet, en in de graanschuur, daar werd een afdeling gemaakt voor tbc-patiënten. We hadden ook erg veel infectieziektes. Want je moet je voorstellen, dat hier de kinderen kinderziektes krijgen, zodra ze op de kleuterschool komen.
Die mensen gingen dus niet naar school, die Spaanse recruten. Zodra ze dus bij elkaar kwamen, braken er mazelen en roodvonk uit
Die mensen gingen dus niet naar school, die Spaanse recruten. Zodra ze dus bij elkaar kwamen, braken er mazelen uit en roodvonk, en door de slechte voeding en de slechte hygiënische omstandigheden was er ook vrij veel tbc.”
Ook de plaatselijke bevolking profiteerde van de aanwezigheid van het Hollandse Hospitaal. Trudel van Reemst: “Die burgerbevolking, die moest natuurlijk ook van medische hulp voorzien worden, en wij hebben dus via een paar meisjes, die bij ons in het ziekenhuis werkten, laten rondvertellen, dat als de mensen ziek waren, dan konden ze om hulp vragen. Maar dat gebeurde helemaal niet en later zijn we erachter gekomen, dat de burgerbevolking geweldig veel moest betalen voor medische hulp. En die mensen hadden niks, want de grond was van de grootgrondbezitter of van de kerk, het water was van de kerk, voor alle sacramenten moesten ze de kerk betalen, zodat de magere oogsten, die er waren, die waren al voor jaren vooruit voor hun schuldeisers. Maar wij hebben dus gezegd: ‘De mensen kunnen komen en we doen dat gratis ’. En we hebben in die tijd veertien bevallingen gedaan in dat dorp. We hebben ook wel geprobeerd wat hygiëne aan de mensen bij te brengen. We hadden later een heel goed contact met de mensen. “
Door de opmars van de opstandelingen moest het Hollands Hospitaal in het voorjaar van 1938 ontruimd worden Trudel van Reemst werkte tot eind 1938 in een ziekenhuis in de omgeving van Barcelona. Toen keerde ze terug naar Nederland.

EEN NEDERLANDSE COMPAGNIE
In de zomer van 1937 vonden in de Internationale Brigades uitgebreide reorganisaties plaats. Nieuwe eenheden werden gevormd en door verliezen uitgedunde eenheden werden samengevoegd. In dat kader werd ook een hoofdzakelijk uit Nederlanders bestaande compagnie (eenheid van ongeveer 120 man) gevormd. Deze werd De Zeven Provinciën gedoopt.

Commandant van de Nederlandse compagnie werd Piet Laros. In het najaar van 1937 verplaatste het zwaartepunt van de gevechten zich van de sector-Madrid, in het midden van Spanje, naar het Aragon-front, in het noord-oosten. De Nederlandse compagnie werd hier ingezet en nam in de herfst en de winter van 1937 aan verschillende veldslagen deel.

In het voorjaar van 1938 wist Franco een doorbraak te forceren aan het Aragon-front. Voor de Spaanse Republiek leek het einde nabij, maar zij wist zich nog één keer te herstellen. In juli 1938 begon het republikeinse leger een tegenoffensief en stak de Ebro over. De eerste dagen werd een forse terreinwinst geboekt. Ook De Zeven Provinciën nam aan dit offensief deel. Aanvankelijk verliep de opmars vlot, maar na een paar dagen leed de compagnie zware verliezen bij een poging een strategisch gelegen heuvel te bestormen. Bij dit gevecht werd zeventig procent (!) van de compagnie uitgeschakeld. Kort daarna kwam de bekendmaking, dat de Internationale Brigades zouden worden teruggetrokken.
TERUG NAAR NEDERLAND
In september 1938 besloot de regering van de Republiek de Internationale Brigades terug te trekken. Men hoopte, dat hierdoor de internationale druk op Duitsland en Italië zou toenemen, zodat deze landen hun interventie-legers zouden terughalen. Deze verwachting bleek een illusie. Vooral door de massale steun van Hitler en Mussolini slaagde Franco er begin 1939 in de strijd in zijn voordeel te beslissen. Tot het einde toe weigerden de westerse democratieën een vinger uit te steken voor de Spaanse democratie.
De Nederlandse vrijwilligers werden in september 1938 teruggetrokken van de fronten. Na registratie door een commissie van de Volkenbond, die toezicht hield op de terugtrekking, keerden de Nederlanders eind 1938/begin 1939 per trein terug.
‘Jongens, we gaan naar Holland, we moeten vanavond naar onze familie toe, naar onze vrouwen, en als we nou moeilijkheden gaan maken, dan duurt het misschien nog wel een week, eer we thuis zijn’.
De grootste groep kwam begin december in Nederland aan. De ontvangst door de autoriteiten was nauwelijks hartelijk te noemen. Bij de Belgisch-Nederlandse grens werd de terugkerende vrijwilligers te verstaan gegeven, dat zij hun insignes van de Internationale Brigade moesten afdoen en geen politieke strijdliederen meer mochten zingen. Piet Laros, die van deze groep de leiding had: “De jongens kankeren, kankeren, ik zeg: ‘Jongens, we gaan naar Holland, we moeten vanavond naar onze familie toe, naar onze vrouwen, en als we nou moeilijkheden gaan maken, dan duurt het misschien nog wel een week, eer we thuis zijn’. Dus ik heb gezegd: ‘Doe die dingen allemaal af. Je kunt ze toch allemaal bewaren’. En toen zijn we Roosendaal binnengekomen met de trein.”
In Roosendaal was voor de ’opvang’ van de vrijwilligers een grote groep marechaussee op de been. Laros: “En toen zongen de jongens allemaal: Daarginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan ’. Ik vergeet het nooit. Ik wist niet, dat het vijf december was, daar stond ik geen eens bij stil.” Van regeringszijde stond de terugkerende vrijwilligers een onaangename mededeling te wachten: door in vreemde krijgsdienst te treden hadden zij hun Nederlanderschap verloren.
BESLUIT
Veel voormalige Spanje-vrijwilligers zetten tijdens de Tweede Wereldoorlog de strijd tegen het fascisme voort. Zij namen deel aan het verzet tegen de Duitse bezetters. Verschillende van hen vonden daarbij de dood voor vuurpelotons of in concentratiekampen. Direct na de bevrijding was het klimaat dan ook gunstig voor teruggave van het Nederlanderschap aan oud-Spanjestrijders. Maar een groot deel van hen was communistisch gezind. Gedurende de Koude Oorlog zagen de Nederlandse autoriteiten hierin een argument om hun het Nederlanderschap te onthouden. Zo ontstond de vreemde situatie, dat mensen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Duitse leger dienst hadden genomen en zich dus schuldig hadden gemaakt aan landverraad, hun Nederlanderschap terugkregen, terwijl een aantal oud-Spanjestrijders staatloos bleef.

Pas in de jaren zeventig kwam aan deze wantoestand een einde. In toenemende mate ontstond waardering voor deze antifascisten van het eerste uur. In 1986 – een halve eeuw na het begin van de Spaanse Burgeroorlog- is in Amsterdam-Noord een monument voor de Nederlandse oud-Spanjestrijders onthuld.

In het monument zit een gedenksteen met de tekst: ‘Aan de Nederlandse mannen en vrouwen die in de Spaanse Burgeroorlog meevochten en sneuvelden in de strijd tegen het fascisme. Hun houding van waakzaamheid en verzet blijft een waarschuwing tegen iedere vorm van fascisme voor mensen van vandaag.’
Deze lesbrief is eerder uitgegeven door de Stichting Spanjemonument 1936-1939 en is in 2026 voorzien van links. De oorspronkelijke uitgave werd mogelijk gemaakt door een schenking van de Stichting Fondsenwerving Militaire Oorlogs- en dienstslachtoffers en aanverwante doeleinden (SFMO) te Tilburg.
© Jaap-Jan Flinterman 1986
